‘Uitschakelen. Niet doodschieten’

Is in 1977 bevolen de Molukse kapers te doden? „Dat is de cruciale vraag.”

Oud-militair Kees Kommer: „Wij hebben drie- à vierduizend kogels in de trein gejaagd.” Foto Flip Franssen

Als Kees Kommer naar Groningen rijdt, voert de weg hem langs De Punt. „Elke keer dat ik door die bocht ga, voel ik het weer. Nu nog.”

In mei 1977 lag hij als officier van de Bijzondere Bijstandseenheid (BBE) van de precisieschutters drie weken door een kijker te turen naar de gekaapte trein bij De Punt. Binnen hielden negen zwaargewapende Molukse actievoerders 54 passagiers gegijzeld. Kommer lag in twaalfuursdiensten aan de oostkant van de trein, terwijl zijn precisieschutters de vinger aan de trekker hielden. Tot ze de laatste dag het commando ‘vuren’ kregen.

Nu is Kees Kommer 75 jaar en zit hij in een warme ritstrui en met sloffen aan op de bank in zijn huis in de buurt van Apeldoorn. Deze week maakte advocaat Liesbeth Zegveld bekend dat zij namens de nabestaanden van de omgekomen kapers de Staat der Nederlanden aanklaagt. Zij zegt bewijs te hebben dat de zes gedode Molukkers zijn gedood met „excessief geweld”, drie van hen zouden zijn „geëxecuteerd”.

Met wat voor opdracht lag u daar?

„De basis van het optreden is de geweldsinstructie. Die komt van justitie en geldt voor alle betrokkenen, marechaussee, politie, landmacht, mariniers. En in die geweldsinstructie staat altijd als doel: arresteren.

„Die geweldsinstructie krijg je op een briefje. Onze commandant, Henk Braaksma, kreeg die van de Leider Plaats Delict – dat is de politieman die het bevel voert over alle eenheden, militairen en politie. Wij waren met drie officieren bij de Bijzondere Bijstandseenheid krijgsmacht. Er was ook een Bijzondere Bijstandseenheid rijkspolitie. We hadden precies dezelfde taken. Wij trainden om met een precisieschot dat doel te treffen dat we moesten uitschakelen.”

Uitschakelen.

„Uitschakelen. Niet doodschieten. In onze oefeningen was het nooit op het hoofd of op het hart schieten. Altijd op de schouders en op de benen. Dat is uitschakelen. Dat is dus niet: doodschieten. Zo trainden wij in Nederland. Dat heeft te maken met de cultuur van de politiek in een land. Premier Den Uyl was het prototype van zo lang mogelijk rekken. Dat hebben wij altijd gezegd: al moeten we er drie maanden omheen zitten, iedereen moet er levend uitkomen, dat is het doel.”

Bij Wijster was in 1975 ook een trein gekaapt door Molukkers. Die hadden drie mensen doodgeschoten. Zat dat steeds in uw hoofd, dat het hier ook zo kon gaan?

„Dat risico was er. Er werden ook signaaltjes over opgevangen. Met de voedseltransporten is geluidsapparatuur de trein in gebracht. Het meeste dat de kapers tegen elkaar zeiden, werd door de politie afgeluisterd.

„In de laatste weken werd het dreigender. Van de politie kregen we informatie dat er mogelijk mensen doodgeschoten zouden worden. Dat zeiden wij ook tegen onze mannen: ‘Er is meer dreiging in de trein.’”

En wat doen scherpschutters dan?

„Dan word je attenter op wat je ziet. Want dan zou kunnen gebeuren wat we in Wijster hadden meegemaakt; dat er een deur opengaat, iemand naar buiten wordt geduwd en achter hem een man met een wapen staat. Dan weten we dat we die moeten uitschakelen.”

Maar zo ging het niet.

„Nee. Er is besloten tot een aanval op de trein. Wij moesten de Bijzondere Bijstandseenheid van de mariniers dekken, de close combat jongetjes zoals wij ze noemden. Wij moesten met ons vuur voorkomen dat de kapers hen vanuit de trein zouden beschieten. Maar op de ochtend van de aanval kregen wij ineens mitrailleurschutters opgedrongen.”

Waren zij niet van uw eenheid?

„Nee, zij waren de kampioenen van de landmacht. Bij defensie werden regelmatig wedstrijden gehouden: pistool schieten, mitrailleur schieten, die kon je als team winnen en dan was je kampioen.

„Onze precisieschutters werden psychologisch gekeurd voordat ze werden toegelaten tot de eenheid. We wilden voorkomen dat er trigger happy jongens binnenkwamen. Ons idee was dat je zo lang mogelijk moest kunnen blijven liggen met je vinger aan de trekker zonder te schieten. Deze mensen waren niet gekeurd.

„Voor mij is nog altijd onduidelijk wie heeft besloten hen aan ons toe te voegen en waarom. Nou ja, voor de vuurkracht. Zij hadden pantserdoorborende munitie en lichtspoorkogels.

„De strategie van die aanval was: met enorm kabaal en vuur de kapers als het ware bevriezen – en de passagiers ook. Vandaar het illustere idee om met Starfighter straaljagers over de wagons te scheren. En vandaar die vuurkracht. Wij hebben drie- à vierduizend kogels in de trein gejaagd.

„We konden tegen die ons opgedrongen mitrailleurschutters natuurlijk niet zeggen: jullie mogen niet schieten. Die trein stond op een talud, dus wij schoten op de onderkant van de wagons. Het meeste vuur is vanaf de bodem tot een meter hoog de trein ingegaan.”

Dan hadden mensen binnen toch geen schijn van kans?

„Ik dacht ook toen het begon, hier komt geen mens levend uit.”

Ook de passagiers niet?

„Die wel. Door warmtefotografie en geluidsapparatuur wisten we waar de passagiers zaten en waar de kapers. Onze strategie was ze uit elkaar houden, ‘compartimenteren’. Vandaar dat bevriezen. Alleen een vrouw die in het balkon tussen twee wagons sliep, werd door ons vuur getroffen. Het was vaak tegen haar gezegd: ga daar nou niet slapen.

„De straaljagers die opgingen en ons vuur – het was gewoon oorlog. Toen kwam het commando: stop stop stop! Daarna gaf Henk de commandant van de mariniers de opdracht: oprukken. Ze zetten springramen tegen de deuren en zijn naar binnen gegaan. En wat er toen gebeurd is, daar heb ik veel vragen over.”

U was er niet bij

„We keken door onze kijkers. We hoorden het schieten in de trein. Daar is behoorlijk geschoten. Op zeker moment was het stil en kwam de mededeling van de commandant van de mariniers: ‘Actie is goed verlopen. Niemand van ons gewond.’ Dat was voor ons weer een soort opluchting.

„Mijn collega Jos en ik gingen later de trein in. De passagiers waren al weg, de doden werden weggehaald. Het stonk. Bloed. Pfoeh. Ik hoef daar niet aan herinnerd te worden.”

Je kunt je ook afvragen: niemand van de mariniers gewond? Was er dan een vuurgevecht of hebben alleen de mariniers geschoten?

„Dat drong toen nog niet echt tot ons door.”

En wat denkt u nu?

„Journalist Jan Beckers heeft vorig jaar contact gehad met de politieman die op de laatste dag het bevel voerde. Die beweert nu: wij kregen informatie die er helemaal niet op duidde dat het gevaarlijk zou worden, dat ze passagiers uit de trein zouden gooien. Als dat waar is, dan voel ik me belazerd.

„Hoe is het mogelijk dat zo’n cruciaal bericht in het beleidscentrum in Assen of in het crisiscentrum in Den Haag zó anders is vertaald? Wat die mariniers binnen hebben gedaan, dat is door pathologen wel goed vastgelegd. Maar dit is voor mij de cruciale, onbeantwoorde vraag. Wie heeft dat bericht zo uitgelegd? Ik ben benieuwd of dat uit het onderzoek komt.”

Vorig jaar kreeg Kees Kommer contact met Junus Ririmasse, een van de drie kapers die het heeft overleefd. „Junus heeft acht kogels in zijn lichaam gekregen – werkelijk een wonder.” Hij ontmoette hem in het Van der Valk Hotel in Assen. Daar kwam een Molukker binnen met lang, grijs haar, een kunstenaar. Hij had een herseninfarct gehad en sprak moeizaam. Hij wilde van Kommer weten wat dat ‘uitschakelen’ inhield. „Toen heb ik hem uitgelegd wat in de geweldsinstructie staat. Hij zei: ‘Wij hebben dat anders ervaren in de trein. Er is op ons geschoten terwijl wij niet hebben teruggeschoten. Hoe kan dat?’

„Ja, dat hebben die mariniers gedaan, zei ik. Luister Junus, die signalen kwamen vanuit de trein: misschien schieten ze er wel weer eentje dood. Junus zei: ‘Dat was nooit de bedoeling. Wij hebben geleerd van Wijster. Wij wilden wel hetzelfde effect, maar niemand doodschieten.’

„Hij erkende dat de kapers zoiets wel tegen elkaar hadden gezegd, maar zei dat het een grapje was. Tsja, dat kun je door die koptelefoons heen niet zien natuurlijk. Dat begreep hij ook wel, dat de overheid het niet goed kon inschatten.”

Na afloop van het gesprek, vroeg Ririmasse aan Kommer: ‘Ben je wel eens naar het graf van mijn maten geweest?’ Nee, Kommer vond ook dat hij daar niet hoorde te komen. „Maar als jij me uitnodigt, ga ik mee”, zei hij.

Even later stonden ze bij het monument. Een marmeren plaat met vijf vierkante stenen erop en één ronde voor de overleden vrouwelijke kaper, Hansina. „Junus stond aan de ene kant van het graf, ik aan de andere en we keken elkaar aan. Ik sloeg een arm om zijn schouder, hij zijn arm om mijn middel. Prachtig. Prach-tig. Het zit niet tussen hem en mij. Het zit niet tussen de Molukkers en ons. Het zit tussen hen en de mariniers. Tussen hen en de overheid.”