Uitschakelen is niet hetzelfde als doodschieten

In 1977 kaapten Molukkers een trein met 54 reizigers. Bij de bevrijding werden acht mensen gedood. Kees Kommer was officier van de schutters. „Ik dacht toen het begon: hier komt niemand levend uit.”

5 juni 1977. Twee mensen bij de gekaapte trein. Rechts een Zuid- Moluks meisje dat tot de kapers behoort. Foto Anefo

Als Kees Kommer naar Groningen rijdt, voert de weg hem langs De Punt. „Elke keer dat ik door die bocht ga, voel ik het weer. Nu nog.”

In mei 1977 lag hij als officier van de Bijzondere Bijstandseenheid (BBE) van de precisieschutters drie weken door een kijker te turen naar de gekaapte trein bij De Punt. Binnen hielden negen zwaargewapende Molukse actievoerders 54 passagiers gegijzeld. Het zou bijna drie weken duren, waarbij Kommer in twaalfuursdiensten aan de oostkant van de trein lag en zijn precisieschutters de vinger aan de trekker hielden. Tot ze de laatste dag het commando ‘vuren’ kregen.

Nu is Kees Kommer 75 jaar en zit hij in een warme ritstrui en met sloffen aan op de bank in zijn huis in de buurt van Apeldoorn. Deze week maakte advocaat Liesbeth Zegveld bekend dat zij namens de nabestaanden van de omgekomen kapers de Staat der Nederlanden aanklaagt. Zij zegt bewijs te hebben dat de zes gedode Molukkers zijn gedood met „excessief geweld”, drie van hen zouden zijn „geëxecuteerd”.

Met wat voor opdracht lag u daar?

„De basis van het optreden is de geweldsinstructie. Die komt van justitie en geldt voor alle betrokkenen, marechaussee, politie, landmacht, mariniers. En in die geweldsinstructie staat altijd als doel: arresteren.

„Die geweldsinstructie krijg je op een briefje. Onze commandant, Henk Braaksma, kreeg die van de Leider Plaats Delict – dat is de politieman die het bevel voert over alle eenheden, militairen en politie. Wij waren met drie officieren bij de Bijzondere Bijstandseenheid krijgsmacht. Er was ook een Bijzondere Bijstandseenheid rijkspolitie. We hadden precies dezelfde taken. Wij trainden om met een precisieschot dat doel te treffen dat we moesten uitschakelen.”

Uitschakelen.

„Uitschakelen. Niet doodschieten. In onze oefeningen was het nooit op het hoofd of op het hart schieten. Altijd op de schouders en op de benen. Dat is uitschakelen. Dat is dus niet: doodschieten. Zo trainden wij in Nederland. Dat heeft te maken met de cultuur van de politiek in een land. Premier Den Uyl was het prototype van zo lang mogelijk rekken. Dat hebben wij altijd gezegd: al moeten we er drie maanden omheen zitten, iedereen moet er levend uitkomen, dat is het doel.”

Bij Wijster was een paar jaar eerder ook een trein gekaapt door Molukkers. Die hadden drie mensen doodgeschoten. Dat moet steeds in uw hoofd hebben gezeten. Dat het hier ook zo kon gaan.

„Dat risico dat was er. Er werden ook signaaltjes over opgevangen. Met de voedseltransporten is afluisterapparatuur de trein in gebracht. Het meeste dat de kapers tegen elkaar zeiden, werd door de politie opgevangen.

„In de laatste weken werd het dreigender. Van de politie kregen we informatie dat er mogelijk mensen doodgeschoten zouden worden. Dat zeiden wij ook tegen onze mannen: ‘Er is meer dreiging in de trein.’”

En wat doen scherpschutters dan?

„Dan wordt je attenter op wat je ziet. Want dan zou kunnen gebeuren wat we in Wijster hadden meegemaakt; dat er een deur opengaat en iemand naar buiten wordt geduwd en achter hem een man met een geweer staat. Dan weten we dat we die moeten uitschakelen.”

Maar zo ging het niet.

„Nee. Er is besloten tot een aanval op de trein. Wij moesten de Bijzondere Bijstandseenheid van de mariniers dekken, de close combat jongetjes, zoals wij ze noemden. Wij moesten met ons vuur voorkomen dat de kapers hen vanuit de trein zouden beschieten. Maar op de ochtend van de aanval kregen wij ineens mitrailleurschutters opgedrongen.”

Dat waren geen mensen uit uw eenheid?

„Nee, dat waren de kampioenen van de landmacht. Bij defensie worden vaak wedstrijden gehouden, pistool schieten, mitrailleur schieten, en die kon je als team winnen, dan was je kampioen.

„Onze precisieschutters waren psychologisch gekeurd voordat ze werden toegelaten tot de eenheid. We wilden voorkomen dat er trigger happy jongens binnenkwamen. Ons idee was juist dat je zo lang mogelijk kon blijven liggen met je vinger aan de trekker zonder te schieten. Deze mensen waren niet gekeurd.

„Voor mij is nog altijd onduidelijk waarom ze zijn gekomen. Ja, voor de vuurkracht. Ze hadden pantserdoorborende munitie en lichtspoorkogels.

„De strategie van die aanval was: met enorm kabaal en vuur de kapers als het ware bevriezen – en de passagiers ook. Vandaar het illustere idee om met Starfighter straaljagers laag over de wagons te scheren. En vandaar die extra vuurkracht. We hebben drie- à vierduizend kogels in de trein gejaagd.

„We konden tegen die ons opgedrongen mitrailleurschutters natuurlijk niet zeggen: jullie mogen niet schieten. Die trein stond op een talud, dus wij schoten in de onderkant van de wagons. Het meeste vuur is vanaf de bodem tot een meter hoog de trein ingegaan.”

Dan hadden mensen binnen toch geen schijn van kans?

„Ik dacht ook toen het begon, hier komt geen mens levend uit.”

Ook de passagiers niet?

„Natuurlijk wel. De passagiers zaten afgezonderd van de kapers, vandaar dat ‘bevriezen’.

„De straaljagers die opgingen en ons vuur – het was gewoon oorlog. Toen kwam het commando: stop stop stop! Daarna kreeg de commandant van de mariniers opdracht van Henk: oprukken. Ze zetten springramen tegen de deuren en zijn naar binnen gegaan. En wat er toen gebeurd is, daar heb ik veel vragen over.”

U was er niet bij.

„We keken door onze kijkers. We hoorden het schieten in de trein. Daar is behoorlijk geschoten. Op zeker moment was het stil en kwam de mededeling van de commandant van de mariniers: ‘Actie is goed verlopen. Niemand van ons gewond.’ Dat was voor ons weer een soort opluchting.

„Mijn collega Jos en ik gingen twee uur later de trein in. De passagiers waren al weg, de doden werden weggehaald. Het stonk er, overal bloed. Pfoeh. Ik hoef daar niet echt aan herinnerd te worden.”

Je kunt je ook afvragen: niemand van de mariniers gewond? Was er dan een vuurgevecht of hebben alleen de mariniers geschoten?

„Dat drong toen nog niet echt tot ons door.”

En wat denkt u nu?

„De journalist Jan Beckers heeft vorig jaar contact gehad met de Leider Plaats Delict die de laatste dag het bevel voerde. Die beweert nu stellig: wij kregen informatie binnen die er helemaal niet op duidde dat het gevaarlijk zou worden, dat ze passagiers uit de trein zouden gooien. Als dat waar is, dan voel ik me belazerd.

„Hoe is het mogelijk dat zo’n cruciaal bericht, dat er geen dreiging is, in het beleidscentrum in Assen of anders in het crisiscentrum in Den Haag zó is vertaald? Wat die mariniers binnen hebben gedaan, dat is door pathologen wel goed vastgelegd. Maar dít is voor mij de cruciale, onbeantwoorde vraag. Wie heeft dat bericht zo uitgelegd? Ik ben benieuwd of dat uit het onderzoek komt.”

Vorig jaar kreeg Kees Kommer contact met Junus Ririmasse, een van de drie kapers die het heeft overleefd. „Junus heeft acht kogels in zijn lichaam gekregen – werkelijk een wonder.”

In augustus reed Kommer naar Assen, naar het Van der Valk Motel. Daar kwam een Molukker binnen met lang grijs haar, een kunstenaar. Hij had inmiddels een herseninfarct gehad en sprak moeizaam.

„Hij had vragen over wat uitschakelen inhield. Toen heb ik hem uitgelegd wat in zo’n geweldsinstructie staat. Hij zei: ‘Wij hebben dat anders ervaren in de trein. Er is op ons geschoten terwijl wij niet hebben teruggeschoten. Hoe kan dat?’

„Ja, dat is wat die mariniers gedaan hebben, zei ik. Ik zeg, Junus, die signalen, die kwamen binnen vanuit de trein, misschien schieten ze er wel weer eentje dood. Junus zei: dat was nooit de bedoeling. Wij hebben geleerd van Wijster. Wij wilden wel hetzelfde effect, maar niemand doodschieten. Hij erkende dat de kapers zoiets wel tegen elkaar hadden gezegd, maar zei dat het een grapje was. Tsja, dat kun je door die koptelefoons heen niet zien natuurlijk. Dat begreep hij ook wel, dat de overheid het niet goed kon inschatten.”

Na afloop van het gesprek vroeg Ririmasse aan Kommer: ‘Ben je weleens naar het graf van mijn maten geweest?’ Nee, dat vond Kommer geen plaats voor hem. „Maar als jij me uitnodigt, ga ik mee.”

Even later stonden ze bij het monument. Een marmeren plaat, met vijf vierkante en een ronde steen erop, de ronde voor de overleden vrouwelijke kaper, Hansina. „Hij stond aan de ene kant van het graf, ik aan de andere en we keken elkaar aan. Ik sloeg mijn arm om zijn schouder, hij zijn arm om mijn middel. Prachtig. Prach-tig. Het zit niet tussen hem en mij. Het zit niet tussen de Molukkers en ons. Het zit tussen hen en de mariniers. En de overheid.”