Terugkeer naar realisme en macht is verraad

Is het moeizaam bevochten Europese compromis wel opgewassen tegen de brutaliteit van de internationale politiek? Ja, want de normatieve kracht van de liberale democratie is nog steeds ongeëvenaard, vindt Paul Scheffer.

Op zondagochtend 12 november, nu vijfentwintig jaar geleden, stond ik ontroerd te kijken hoe een heftruck het eerste segment van de Berlijnse Muur op de Potsdamerplatz uit zijn voegen trok. De massa dromde samen en om het beter te kunnen zien steunde ik op de schouder van een goedlachse grensbewaker. Achtentwintig jaar lang was dit vroegere verkeersknooppunt van de stad een onneembare barrière. Nu vulde het niemandsland zich met een uitgelaten menigte – die dag bezochten een miljoen Ossies het westelijk deel van Berlijn – en zo beleefden we het begin van een nieuwe verbeelding van het oude continent.

Een kwart eeuw geleden kwam niet alleen de deling van Europa ten einde, maar verongelukte ook een wereldbeeld waarin de macht was losgezongen van de moraal. In de lange decennia die voorafgingen aan de ‘fluwelen revolutie’ van 1989 kreeg immers de ontspanningspolitiek voorrang en die ging uit van een erkenning van de Russische invloedssfeer. De ijzeren discipline die aan landen als Polen werd opgelegd, de deling van Duitsland in twee vijandige helften, dat alles moesten de burgers in het Oosten voor lief nemen.

Natuurlijk werd er veel gezegd over mensenrechten, zeker door een Amerikaanse president als Jimmy Carter, maar uiteindelijk was het handhaven van gewapende vrede belangrijker. Menige machtsrealist in het Westen bekritiseerde de vermetele dissidenten die maar bleven hameren op de vrijheid van meningsuiting. Zulke kritiek op de status quo zou de ontspanning in gevaar kunnen brengen. Het is nu nog moeilijk voorstelbaar maar veel politici – niet in de laatste plaats van sociaal-democratische huize – maanden de onafhankelijke vakbond Solidarnosc in Polen begin jaren tachtig om zich in te houden.

Vaclav Havel was bijtend in zijn weerzin tegen die tamelijk gangbare uitleg van de ontspanning. Zeker in het Oosten was het streven naar vrede tot op het bot gecorrumpeerd: „Het woord ‘vrede’ is slechts een sport van de ladder geworden, waar handige mensen langs omhoog klimmen.” Erger nog: de vrede was „een gummistok waarmee mensen geslagen worden die zich willen ‘onderscheiden’”. Havel wist zeker dat een staat die zijn burgers geen rechten gunt ook vroeg of laat voor zijn buren een gevaar zou vormen. Veel gehoor vond hij met deze opvattingen in West-Europa niet.

De eerste jaren van de detente-diplomatie was er nog wel een samenhang van macht en moraal. Het befaamde Wandel durch Annäherung van de architect van de Ostpolitik, Egon Bahr, ging uitdrukkelijk om verandering door middel van toenadering. In de loop van de zeventig en tachtig was de verandering – dat wil zeggen de val van het communisme – steeds meer uit beeld geraakt en ging het toch vooral om toenadering tot de machthebbers in Oost-Berlijn of Moskou. Zo weigerde oud-bondskanselier Willy Brandt in december 1985 tijdens een bezoek aan Warschau de leider van Solidarnosc, Lech Walesa, te ontmoeten.

In het jargon van die jaren heette dat „de erkenning van de legitieme veiligheidsbelangen van de Sovjet-Unie” en toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Henry Kissinger, was in Amerika de voornaamste vertegenwoordiger van dat machtsrealisme. In de woorden van een van zijn belangrijkste adviseurs zou de beste Amerikaanse strategie liggen in het consolideren van de Russische invloedssfeer. Het ging in zijn woorden om een ‘organische relatie’ tussen Oost-Europa en de Sovjet-Unie.

Een kwart eeuw geleden namen we in Europa afscheid van dat geopolitieke denken, van het idee dat macht altijd zwaarder weegt dan moraal. Die traditie schoot niet alleen tekort wat betreft idealisme, maar bleek uiteindelijk ook geen realisme te zijn. Alle machtspolitieke rekensommen hadden de verbeelding ingesnoerd en de democratische aspiraties in het Oosten onderschat. De eenpartijstaat die er van de buitenkant uitzag als een onwrikbaar bolwerk, bleek plotseling niet meer dan een reus op lemen voeten te zijn. De moralist Havel had het beter gezien dan de realist Kissinger: ook al was hij geen optimist, de hoop op verandering had hem nooit verlaten.

Nu we de val van de Muur herdenken is het belangrijk om deze wending op waarde te schatten, want merkwaardig genoeg heeft iedereen het ineens over ‘de terugkeer van de geopolitiek’. Zo zet de Britse filosoof John Gray met een somber genoegen het mes in een kwart eeuw liberale illusies: „Tirannie en anarchie zullen net zo vaak voorkomen als liberale en illiberale democratie; etnisch nationalisme zal een blijvende kracht zijn, terwijl clanloyaliteiten en onderlinge haat in sommige landen politiek belangrijker zullen worden dan nationaliteit.” Zijn slotsom is dat „de geopolitieke strijd zal verhevigen” (Groene Amsterdammer, 30 oktober 2014).

De recente geschiedenis geeft hem ogenschijnlijk gelijk. Na een ‘oorlogszomer’ vol gewelddadigheden in onder meer de Oekraïne, Syrië en Irak, lijken alle dilemma’s van de tijd voor 1989 weer terug te zijn. Ineens gaat het om de vraag of we in een nieuwe Koude Oorlog met Rusland verstrikt zijn geraakt en of Oekraïne niet een legitiem veiligheidsbelang voor Poetin en de zijnen vormt. En ook in het Midden-Oosten lijkt het machtsrealisme opnieuw de boventoon te voeren ten koste van een politiek die zich oriënteert op democratie en gehoor geeft aan de roep om zelfbeschikking.

Zeker, we ontsnappen niet aan de moeilijke keuze van interventie of non-interventie. De bombardementen om de opmars van de zelfverklaarde Islamitische Staat af te remmen hebben een eigen rechtvaardiging, maar zijn allereerst een uitvloeisel van de oorlog in Irak die achteraf met veel vraagtekens is omgeven. In het vacuüm na Saddam Hussein kreeg immers het soennitische extremisme een kans, net zoals Libië na de verdrijving van Khadaffi in een uitzichtloze burgeroorlog is weggezonken.

Het blijkt niet gemakkelijk om te ontkomen aan de tredmolen van vriend en vijand en toch is het failliet van deze machtspolitiek steeds duidelijker. De interventies van de westerse wereld na het einde van de Koude Oorlog verliezen meer en meer aan legitimiteit, omdat deze oorlogen vaak genoeg bitter weinig te maken hebben met democratie en mensenrechten. Is de les van ‘1989’ niet dat deze vorm van geopolitiek langzaam is uitgeput en dat we ook in de internationale betrekkingen de moraal moeten herwaarderen tegenover de macht?

Er woedt momenteel een onuitgesproken schoolstrijd tussen machtsrealisme en het idee van ‘democratische vrede’. Sinds de val van de Muur zou het toch duidelijk moeten zijn dat duurzame vrede is gebouwd op democratie; zeker is in ieder geval dat tussen landen met zo’n bestel zelden of nooit oorlogen worden gevoerd. Burgers hebben volgens Immanuel Kant – de eerste die deze gedachte onder woorden bracht - zo’n direct belang bij vrede om hun welvaart en welzijn te verbeteren dat in een democratische republiek hun stem tegen oorlog altijd de doorslag zal geven.

De uitgebreide Europese Unie – waar conflicten op het slagveld van de vergadertafel worden uitgevochten – is daarvan natuurlijk het beste voorbeeld. Inmiddels delen achtentwintig landen in deze poging tot ‘eeuwige vrede’ een project zonder precedent. De grote vraag is hoe de Unie deze cultuur buiten de eigen grenzen kan bevorderen. Is het moeizame compromis dat dagelijks in de wandelgangen van Brussel wordt uitgevonden wel opgewassen tegen de brutaliteit van de internationale politiek?

Er kan immers geen twijfel bestaan over de beperkte moraliteit van de machtspolitiek in de huidige wereld, zoals mooi verwoordt door de Amerikaanse wetenschapper John Mearsheimer: „De hoop op vrede zal waarschijnlijk niet worden verwerkelijkt, want de grote mogendheden die het internationale systeem vormgeven, vrezen elkaar en strijden als gevolg daarvan om macht. Staten zijn veroordeeld tot een conflict omdat ieder probeert een voordeel tegenover de ander te verwerven. Dat is een tragische situatie.” Anders gezegd: de strijd tussen vrienden en vijanden laat zich niet rijmen met de keuze tussen goed en kwaad.

En zelfs al zouden we de theorie van de democratische vrede onderschrijven, dan nog zegt Mearsheimer, „is het onwaarschijnlijk dat alle grote mogendheden in het systeem democratisch worden en het gedurende langere tijd blijven. Er is slechts een niet-democratisch Rusland of China voor nodig om de machtspolitiek gaande te houden en het is waarschijnlijk dat beide staten ten minste een deel van de eenentwintigste eeuw niet democratisch zullen zijn”. Dat geldt volgens hem ook voor nogal wat landen in onder meer het Midden-Oosten.

Vijfentwintig jaar na de val van de Muur dringen een paar conclusies zich op. We moeten de liberale en realistische scholen van denken over de wereldpolitiek aan elkaar scherpen, want het is duidelijk dat de wereld waarin we leven een gemengde orde is, waarin zowel traditionele machtspolitiek als het streven naar duurzame vrede te herkennen zijn. Het hangt af van de tijd en de plaats wat de overhand heeft. Na 1989 zijn de landen van Europa in hun onderlinge relaties ontsnapt aan de ‘tragedie van de grootmachten’.

Terwijl in Europa het einde van de geopolitiek kan worden gevierd, zijn aan de bloedige randen van het continent de gewelddadige conflicten volop gaande. We kunnen ons daaraan niet onttrekken, maar een terugval in het machtsrealisme zou niet alleen verraad zijn aan hetgeen de Europese eenwording wil belichamen, maar biedt ook geen duurzame oriëntatie in de wereldwanorde. Zelfs Gray ontkomt in zijn tirade tegen de liberale illusies niet aan de conclusie dat deze manier van kijken iets biedt wat „het realistische denken niet kan bieden: een verhaal of een mythe waarmee de toekomst kan worden vormgegeven”.

De Europese Unie wordt als zone van ‘eeuwige vrede’ omgeven door een gordel van landen in oorlog of verval. Een afdoende militaire inspanning is nodig bij wijze van zelfbescherming – en dat betekent in de huidige tijd meer geld naar defensie. Ook dat kunnen we leren uit de periode van de Koude Oorlog: afschrikking van potentiële bedreigingen is nodig. Het zogenaamde vredesdividend is inmiddels wel opgesoupeerd.

Tegelijk is het niet zo dat het gebruik van geweld het belangrijkste middel is om waarden te verbreiden in de wereld. Integendeel: de militarisering van de mensenrechten is geen goed idee. Humanitaire interventie is een allerlaatste toevlucht, er zijn genoeg andere manieren om de democratie te bevorderen. De lange jaren van de Koude Oorlog maken duidelijk dat terwijl militaire inmenging was uitgesloten, er meer gedaan had kunnen worden om dissidenten te beschermen.

De slotsom bij deze 25-jarige herdenking is dat democratie en mensenrechten als doelen van de buitenlandse politiek moeten worden opgewaardeerd. Dat zal tot wrijvingen of conflicten met het autocratische Rusland of China leiden, maar een terugval in het aanvaarden van invloedssferen biedt geen duurzame vrede. In beginsel zou de Oekraïne tot de Europese Unie moeten kunnen toetreden, al blijft dat in de komende tien tot vijftien jaar niet meer dan een wenkend perspectief, want het land voldoet in vrijwel geen enkel opzicht aan de criteria om toe te treden.

Hetzelfde geldt op een andere manier voor de Arabische burgeroorlog die is gevolgd op de Arabische Lente. Westerse landen kunnen eenvoudigweg niet volharden in de verschrikkelijke tegenstrijdigheid dat uit naam van de democratie stilzwijgend de militaire coup in Egypte wordt gesteund, in de strijd tegen de Islamitische Staat het theocratische Saoedi-Arabië als een belangrijke bondgenoot wordt gezien en dat het regime van Assad, oog in oog met een nog grotere dreiging, nu opeens een halve vriend is geworden.

Als ‘1989’ iets heeft geleerd dan is het wel dat de geschiedenis onvoorspelbaar is: niemand zag de val van de Muur aankomen, weinigen hadden de Arabische Lente voorspeld. Ook in andere delen van de wereld zijn de democratische aspiraties sterker dan we nu aannemen. Daarom is het niet verstandig om te buigen voor een pessimistisch mensbeeld of ons neer te leggen bij de tragedie van de grootmachten. Het realisme kijkt naar de buitenkant van naties en staten en ziet vaak meer innerlijke kracht en samenhang in die staten dan gerechtvaardigd is.

Ook al leven we met de opkomst van vooral China in een multipolaire wereld, de normatieve kracht van de liberale democratie is nog steeds ongeëvenaard. De autocratieën van deze wereld zijn zwakker dan we denken – die onzekerheid is overigens niet perse een geruststellende gedachte – en de democratieën zouden meer zelfvertrouwen kunnen hebben. En terughoudendheid: de westerse wereld moet zich in ieder geval niet blijven uitputten in oorlogen die geen morele rechtvaardiging kunnen vinden.

De fluwelen revolutie van 1989 was een opstand tegen de beperkingen van onze verbeelding. Dat werd me onlangs opnieuw duidelijk bij een bezoek aan Berlijn. Het was als na een verbouwing: waar eens een muur stond gaapt nu een gat en ongelovig zoekt de herin¬nering naar houvast. Ik stond op de plaats die ooit een grensovergang was en probeerde het beeld terug te halen, maar enkel de littekens in het plaveisel lieten nog iets zien van vroeger. Verder liep een innig gearmd stelletje door de zone waar ooit een schietbevel gold, reden auto's door de Friedrichstrasse alsof er nooit dreigende slagbomen de weg hadden versperd en waren de konijnen voorgoed verdwenen uit het niemandsland.