Scherpe historicus met afkeer van volksmennerij

foto rien zilvold

Waarom zou een verstandig mens eigenlijk geschiedenis gaan studeren? De op 16 oktober op 82-jarige leeftijd overleden historicus Peter W. Klein wist het wel. „Het is een relatief onschuldige manier om uit de kroeg te blijven”, schreef hij in het voorwoord van zijn proefschrift De Trippen in de 17e eeuw: een studie over het ondernemersgedrag op de Hollandse stapelmarkt.

De jonge wetenschapper kon bij het publiceren van zijn dissertatie natuurlijk nog niet bevroeden dat hij dertig jaar later in het Historisch Nieuwsblad zou worden verkozen tot een van de machtigste historici van Nederland en dat hij zich zou roeren in tal van gevoelige maatschappelijke discussies, onder meer over Joodse en Nederlands-Indische oorlogsslachtoffers.

Peter Klein werd op 10 december 1931 geboren in Wenen en verhuisde met zijn ouders in 1939, na de Anschluss van Oostenrijk bij Duitsland, naar Nederland. Het gezin kwam de oorlog ongeschonden door, hoewel Kleins vader, die joods was, een aantal keer werd opgepakt. Het aardewerken suikerpotje dat hij uit Westerbork ontvreemde, stond later bij Klein in de kast. „Wij gebruiken hem niet. Wie hem breekt heeft zijn leven verspeeld”, schreef hij in een boek over zijn familiegeschiedenis.

Na de oorlog studeerde Klein economische wetenschappen aan de Vrije Universiteit en was hij hoogleraar geschiedenis in Rotterdam en Leiden. In de eerste stad bekleedde hij ook het rectoraat. Verder was hij bestuurslid van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie en als zodanig betrokken bij de totstandkoming van Loe de Jongs geschiedschrijving van Nederland in de Tweede Wereldoorlog.

Klein zelf publiceerde over de economische geschiedenis van de Gouden Eeuw, maar ook over de geschiedenis van Japan, de jaren dertig en de geschiedenis van de Koninklijke Bibliotheek – dat laatste boek schreef hij samen met zijn vrouw. Hij schreef ook recensies voor deze krant.

Peter Klein discussieerde graag, en stevig. Zo roerde hij zich bijvoorbeeld in het debat rond de totstandkoming van een canon van de Nederlandse geschiedenis. Hij fulmineerde over „alle intellectuelen, half- en namaakintellectuelen, geleerden, pseudo-geleerden, journalisten, columnisten, politici, volksmenners, partij-ideologen en wijsgerige tinnegieters” die van mening waren dat de nationale identiteit versterkt kon worden door meer aandacht te besteden aan de vaderlandse geschiedenis. Geschiedenis was er niet voor om „zekerheid in onzekere tijden te schenken”, vond hij.