Column

Ook deze hoogopgeleide krijgt jeuk van de EU

Ik beken: ook ik erger me met enige regelmaat aan Europa. De EU, Brussel, de samenwerking tussen 28 Europese lidstaten – hoe je het ook wil noemen, ik heb er ontzettend vaak grote moeite mee.

Dat is een raar sentiment voor een hoogopgeleide. Want sinds vorige week weten we dankzij een hooggeleerd rapport (van de WRR en het SCP) dat laagopgeleiden eurosceptisch zijn en hoogopgeleiden pro-Europees.

Ah, dacht ik, nu begrijp ik waarom pro-Europese hoogopgeleiden en Brusselse functionarissen vaak tegen burgers over het nut van de EU praten als een zendeling vroeger gedaan moet hebben tegen ‘inboorlingen’ in den vreemde; doordrenkt van de arrogantie tegen een wilde te praten, overtuigd van een superieur moreel gelijk.

Laagopgeleiden zijn bang. Voor de wereld, voor buitenlanders. Hoogopgeleiden weten dat je niet bang hoeft te zijn voor de wereld want die is mooi. Als ‘wij’ als hoogopgeleiden nu maar vaak genoeg uitleggen dat je niet bang hoeft te zijn, dan komt het goed.

Tegenwoordig heeft ‘Brussel’ door dat ze er niet goed opstaan bij veel burgers en hoor je uit Brussel vaak het geluid dat de regeringsleiders van de lidstaten louter schelden op de EU voor eigen gewin, niet omdat ze het menen. Dat doen ze om de eurosceptische (laagopgeleide!) achterban koest te houden.

Ja ja, en dat moet dan mijn beeld over de EU bijstellen? Wat een onzin. De EU = Brussel = de samenwerking van de lidstaten. Het helpt mijn beeld over Europa totaal niet dat functionarissen in Brussel zeggen dat de leiders van de lidstaten achterbaks zijn. Dat is geen weerlegging van mijn probleem met Europa, het is een illustratie van mijn probleem met Europa. Dat moddergooien naar elkaar, vreselijk. En ja, dat doen EU-functionarissen in Brussel óók. Een eurocommissaris noemde minister Asscher xenofoob omdat hij graag wilde praten over de pijnlijke gevolgen van het vrije verkeer van arbeiders uit Oost-Europa. Pijnlijke gevolgen voor laagopgeleiden welteverstaan. Xenofoob ben je dan in Brussel. Dat is toch onuitstaanbaar?

Nog een voorbeeld: deze week presenteerde de Europese Rekenkamer een rapport over de Europese geldstromen. Te veel van dat geld wordt uitgegeven omdat het er nou eenmaal is. Te weinig van het geld wordt uitgegeven om daadwerkelijk een doel te bereiken (zoals: minder jeugdwerkloosheid). Nee, zei Alex Brenninkmeijer van die Rekenkamer op tv, dat probleem ligt niet aan Europa, maar aan de lidstaten. Die willen zo veel mogelijk geld binnenharken, dondert niet waarvoor. Maar meneer Brenninkmeijer, dat ís toch Europa? Met alle lidstaten zo snel mogelijk graaien in de gezamenlijke pot en vooral zorgen dat je er zelf zo goed mogelijk uitkomt? Of ben ik nou gek?

Er zijn legitieme bezwaren aan te voeren tegen de EU. En die bezwaren gaan over de kern van het project: het overdragen van soevereiniteit van de lidstaten naar de Unie. Die overdracht doet pijn, roept vragen op, zal soms wel en soms niet acceptabel zijn. Dat is een diepgravend gesprek waard, een discussie met mensen van alle opleidingsniveaus - over waar we als land zelf over willen gaan en welk deel van onze macht we willen laten verwateren in Europa. En daarbij zou het fijn zijn om elkaar serieus te nemen. En niet om de haverklap in euro-evangelische liederen uit te barsten of te wijzen naar onterechte lastercampagnes van anderen.

Ik heb een heel gekke suggestie: zullen we die laagopgeleiden eens serieus nemen? En luisteren naar de gevolgen die zij ondervinden van de EU? En mét ze praten in plaats van tégen ze? Europa zou er enorm van opknappen.