Loonfatsoen brengt weer moraal bij inkomens

25 oktober 2014 – Weinig mensen zeggen: ‘prima, zo hoort het’, wanneer zij lezen dat de baas van Shell in anderhalve maand evenveel verdient als een schoonmaker in veertig jaar. Toch zijn de verhoudingen zo gegroeid. Dit is de werkelijkheid. Een nieuw boek, Loonfatsoen, stelt de vraag: is het mogelijk de inkomensverhoudingen te remoraliseren? In

25 oktober 2014 - Weinig mensen zeggen: ‘prima, zo hoort het’, wanneer zij lezen dat de baas van Shell in anderhalve maand evenveel verdient als een schoonmaker in veertig jaar. Toch zijn de verhoudingen zo gegroeid. Dit is de werkelijkheid. Een nieuw boek, Loonfatsoen, stelt de vraag: is het mogelijk de inkomensverhoudingen te remoraliseren?

In veel Westelijke landen wordt met verontwaardiging gereageerd als een weer hogere miljoenenbeloning bij een multinational of bank bekend wordt. De betrokkenen draaien in een soort financiële baan om de aarde waar gewone mensen geen zicht op hebben. Daarom richt de publieke behoefte aan rechtvaardigheid zich in Nederland op de bazen van min of meer private instellingen met een publieke taak, omroepfiguren, directeuren van woningbouwcorporaties en ziekenhuizen.

Af en toe wordt geknabbeld aan de inkomens van het topkader van banken en andere financiële instellingen. Nederland wil de nieuwe Europese regels nog wat verscherpen. Periodiek komen een paar bankiers hoofdschuddend in de Kamer uitleggen dat men niets begrijpt van de internationale concurrentie voor toptalent zoals zijzelf.

Met de bankencrisis vers in het geheugen is dat geen overdreven overtuigend betoog. Een wel reëel praktisch probleem is de ruimte voor ontduiking van beperkende regels via buitenlandse routes. Minister Dijsselbloem moest zijn eigen wetsontwerp daarom volbouwen met uitzonderingen en dus potentiële mazen. Ook hij accepteert impliciet het ‘bijzondere talent’-argument door zijn eigen staatsbankiers champions league-inkomens te laten verdienen, vergeleken bij wat voor andere stervelingen in de publieke sfeer redelijk wordt geacht.

De bundel Loonfatsoen onderzoekt het brokkelige vraagstuk van allerlei kanten. Een verpleegkundige en een ziekenhuisdirecteur bespreken elkaars loon. Een bankier, twee schoonmakers, accountants en organisatieadviseurs, idealistische advocaten, veel praktijkervaringen komen aan bod.

Samenstellers Thijs Jansen en Margo Trappenburg (die eerder naam maakten met publicaties over en een stichting voor het herwinnen van professionele Beroepseer) hebben kennelijk gedacht: blijven klagen over inkomensverhoudingen helpt niet, laten we feiten verzamelen en kijken onder welke voorwaarden het weer een kwestie van eer (en schaamte) kan worden om genoegen te nemen met een redelijke vergoeding.

Voor de normering van topinkomens in de (semi)publieke sector bestaat vrij veel parlementaire steun. De zaak leeft en klagende managers van dergelijke bedrijven op de grens van markt en overheid krijgen weinig voet aan de grond. Om de discussie op gang te brengen moet volgens de auteurs het ‘loontaboe’ worden doorbroken. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat mensen hoog en laag over van alles ondervraagd willen worden, maar niet over hun loon.

Het pleidooi voor meer inkomenstransparantie om te komen tot een publieke herwaardering van het begrip ‘beloning naar verdienste’ klinkt voor de hand liggend. Hoewel, de grotere transparantie van inkomens de afgelopen jaren heeft geleid tot haasje-over-gedrag: mensen die best tevreden waren met hun inkomen, zagen dat niet beter geachte collega’s aanzienlijk meer binnensleepten, en wilden ook meer, en kregen dat van hun commissarissen.

De echte maatschappelijke pijn zit natuurlijk bij de volstrekt ongeremde ‘compensatiepakketten’, en andere gewichtig geformuleerde honoreringen die in de top van grote en internationale bedrijven en in de financiële sweatshops gewoon zijn geworden. De daar heersende bonuscultuur met haar perverse prikkels mag mede aanleiding hebben gegeven tot de bankencrisis, de betrokkenen hebben er niet onder geleden.

Uit onderzoek van Emmanuel Saez (Universiteit van Californië, Berkeley) blijkt dat de top één procent inkomens in de Verenigde Staten tussen 2009 en 2012 met 31,4 procent groeiden, terwijl de inkomens van de onderste 99 procent met een magere 0,4 procent toenamen. Het is de vraag of die cijfers aan deze kant van de oceaan heel anders liggen.

De samenleving is meegegroeid met de retoriek van de financiële prikkels die zogenaamd nodig zijn om behoorlijk werk te leveren. Dat blijkt wel uit het FNV-standpunt dat ernaar streeft dat verschillen tussen laagste en hoogste inkomens niet groter zijn dan 1:20. Ton Heerts zegt in de bundel dat er aanleiding is die positie wat aan te scherpen.

Dat is een deemoedige opstelling vergeleken bij de Interimnota Inkomensbeleid van het kabinet-Den Uyl uit 1975. Daarin wordt voor de rijksoverheid een inkomensverschil tussen laag en hoog van 1:5 redelijk geacht. De werkelijkheid verschilde er niet zo veel van dus was er geen harde ingreep nodig. Het zo links geachte kabinet benaderde het streven naar ‘meer aanvaardbare inkomensverhoudingen’ behoorlijk studieus en behoedzaam. Veel overleg en geleidelijkheid. Niettemin voorspelde VVD-woordvoerder Rietkerk een ‘grauwe samenleving’ als het voorgestelde beleid werkelijkheid zou worden.

Begin jaren ’90 waren de beoogde verhoudingen binnen de publieke sector min of meer gerealiseerd en werd iedere vorm van loonpolitiek afgeschaft. Het was tijd voor de grotere ontketening van het Angelsaksische geïndividualiseerde, prestatiegerichte beloningsdenken. Individualisering en globalisering bepaalden het klimaat.

Veel overheidsdiensten werden geprivatiseerd of op afstand geplaatst. Dat was in veel gevallen nuttig en inspirerend, maar over beloningsverhoudingen werd onvoldoende nagedacht. De stoere honoreringsmodes verspreidden zich als ebola over semi-ambtelijk Nederland. Het parlement kan nauwelijks genoeg enquêtes houden om de gevolgen in kaart te brengen.

De vraag nu is of het mogelijk is, met behoud van de losgemaakte ondernemingslust, een mate van loonfatsoen voor de 21ste eeuw te vinden waarvan de meeste mensen in hun hart weten dat het redelijk is. Ook de grootverdieners.

email: opklaringen@nrc.nl; twitter: @marcchavannes