Hoe houd je voetbal leuk voor iedereen?

Ajax wint nooit meer de Champions League, steeds minder clubs maken nog een kans. Voetbal wordt geregeerd door de elite. „We hebben een probleem als te veel fans voelen dat hun club voor altijd tweederangs is.”

illustratie Studio NRC

Geld is „een raar goedje”, zegt Wim Jonk, trainer van Ajax A1. „Er zullen altijd jongens bij zijn die daar bevattelijk voor zijn.” De vraag was of hij bang is dat uit zijn ploeg weer spelers weggegraaid worden door de Europese topclubs. „Ik denk dat de jongens wel weten dat ze bij Ajax veel meer kans maken om in het eerste te komen.”

Dinsdagavond. Het is koud maar knus op de Toekomst, waar Ajax A1 net met 1-0 de leeftijdsgenoten van Barcelona verslagen heeft. Het publiek mag gratis kijken en de prijzenpot in de UEFA Youth League is te verwaarlozen. Er lijkt zowaar sprake van een level playing field op deze leeftijd. Tuurlijk, Ajax plukt talent weg in Nederland en in kleinere landen als Tsjechië en op de Balkan. Barcelona doet dat op wat grotere schaal. En toch gaat het redelijk gelijk op. In Barcelona werd het eerder onder toeziend oog van Johan Cruijff 2-2.

Maar hoe anders is dat bij de eerste elftallen? Dat Ajax niet meer bij de elite van Europa hoort is oud nieuws. „Een gapend gat”, zei coach Frank de Boer voorafgaand aan de groepswedstrijd in de Champions League van afgelopen woensdag. Barcelona-voorzitter Josep Bartomeu noemde het in de Telegraaf zelfs „wreed” zoals Barcelona boven Ajax torent. Maar het is realiteit.

Wel nieuw is dat zelfs binnen het selecte groepje van topclubs een nieuwe bovenlaag is ontstaan van een aantal superclubs. AS Roma werd vernederd door Bayern München. Liverpool haakte af tegen Real Madrid. Op Anfield haalde Real zijn sterren gaandeweg de tweede helft naar de kant bij een 3-0 voorsprong en in het Santiago Bernabéu stelde Liverpool-coach Brendan Rodgers een veredeld B-team op, omdat er weinig te halen viel.

De laatste vier jaar zaten er telkens twee of meer van het drietal Bayern München, Barcelona en Real Madrid bij de laatste vier in de Champions League. Een super- trio dat onderling de prijzen verdeelt? Vergelijk de huidige situatie eens met het verleden. Real Madrid had de hoofdprijs 32 jaar niet veroverd voor het in 1998 de Champions League won, Bayern stond tot 2001 25 jaar droog en Barcelona pakte in 1992 pas voor het eerst de Europa Cup 1. En nu? Real is bekerhouder, Bayern won in 2013 en Barça drie jaar terug.

Socialistische maatregelen

De Champions League dreigt voorspelbaar te worden. En zeker in de groepsfase ontbreekt spanning. „Op deze manier doorgaan is slecht voor het totale welbevinden van fans. We zitten op het punt waarbij de welvaart die door het voetbal gecreëerd wordt minder groot wordt, of we bereiken dat punt in de nabije toekomst”, waarschuwt Tsjalle van der Burg, econoom aan de Universiteit Twente en auteur van het boek Football Business. How markets are breaking the beautiful game (2014). Zijn theorie: in voetbal wordt zoveel verdiend dat er genoeg mogelijkheden zijn om met economische maatregelen meer gelijkheid te creëren, zonder dat het product of de kwaliteit van het product in gevaar komt. Socialistische maatregelen dus, en wel snel.

Maar hoe erg is een superelite? Het lijkt een open deur dat spanning van cruciaal belang is voor sport, maar onderzoek daarnaar is niet eenduidig, zegt Van der Burg. Spanning is niet de enige factor die de aantrekkelijkheid van sport bepaalt. De concentratie van sterren, het imago van grote clubs en het ‘David en Goliath’-fenomeen (‘mooi als we één keer kunnen winnen’) compenseren voor een groot deel het gebrek aan gelijke winstkansen. Van den Burg: „Echt problematisch wordt het als winnen zo goed als uitgesloten is. Als er geen hoop meer is. Als te veel fans het gevoel hebben dat hun club voor altijd tweederangs is geworden.”

Onder het supertrio Real, Barça en Bayern is een aantal clubs zoals Chelsea, Manchester United, Manchester City en Paris Saint Germain dat de potentie heeft zich bij de top te voegen. De rest moet hopen op een sporadisch succes. Daar behoren ook de Italiaanse topclubs inmiddels al toe. Voor een Nederlandse club als Ajax is overwintering al een prijs.

De dominantie van Real Madrid en Barcelona – die de circa 300 miljoen euro aan tv-gelden grotendeels onderling verdelen – is misschien wel het treffendste voorbeeld. De kleine Spaanse clubs zetten zich steeds meer af tegen het grote geld. De grootmachten zien nu echter in dat het anders moet. Vanaf 2016 wordt in Spanje ‘het Engelse model’ ingevoerd waarbij alle clubs profiteren van inkomsten uit televisierechten. Het zal de kracht van de Primera División vergroten.

De rest van Europa is daar echter niet mee geholpen. Volgens Van der Burg zal voetbal altijd populair blijven, maar staat de sport wel voor de vraag of het voor iedereen leuk blijft. „Als je de markt zijn gang laat gaan, wordt het vanzelf minder leuk. In Amerika zijn ze overtuigd van de zegeningen van de vrije markt, maar als het om sport gaat weten ze dat er een ander belang is: spanning. Er is een groot verschil tussen een reguliere markt en de sportwereld: je hebt namelijk tegenstanders nodig die ongeveer even sterk zijn.”

In de Verenigde Staten hebben de drie grote teamsporten het voordeel van afgesloten competities. Daardoor zijn afspraken makkelijker om te maken. Zo worden de inkomsten uit televisie vaak gelijk over alle clubs verdeeld. Het honkbal bijvoorbeeld kent een ‘luxury tax’, waarbij teams die meer dan 178 miljoen dollar aan spelerssalarissen betalen, over het meerdere een flinke ‘belasting’ betalen. „Dat vloeit dan weer naar de kleinere clubs en naar initiatieven om het honkbal buiten Amerika populair te maken”, zegt Van der Burg.

Europa-brede aanpak

Een probleem in Europa is dat er op twee niveaus wordt gespeeld: nationaal en internationaal. Wat goed is voor spanning in de nationale competitie, collectieve verdeling van tv-inkomsten bijvoorbeeld, is slecht voor de concurrentiekracht van de clubs uit een competitie die uitkomen in het Europees voetbal. Er is dus een Europa-brede aanpak nodig, zegt Van der Burg, en de Europese Unie is dus de enige overheid die kan ingrijpen. Hij ziet veel in een terugkeer van de beperking op het aantal buitenlandse spelers in een ploeg en een terugkeer naar het transfersysteem van voor het Bosman-arrest, zodat spelers na hun contract niet zomaar meer weglopen.

Andere oplossingen die Van den Burg voorstelt eisen meer van het voorstellingsvermogen. Zoals een progressieve belasting op de salarisuitgaven bij clubs, waardoor het aantrekken van veel duurbetaalde spelers exponentieel duurder wordt. En met een gedeeltelijk verbod op de codering van (live) voetbalwedstrijden kan de enorme markt van betaaltelevisie, waar vooral grote clubs van profiteren, beteugeld worden.

Het lijkt utopisch. Modern voetbal laat zich niet meer leiden door romantici. En ‘Europa’ heeft zich als hoeder van de vrije markt tot dusver vooral tegen de beschermende maatregelen in het voetbal gekeerd. De buitenlanderregel mag niet en een transfersom vragen voor contractvrije spelers mag niet meer sinds het Bosman-arrest (1995). Van der Burg, zelf Feyenoord-fan van jongsaf, weigert zich er bij neer te leggen. „Je ziet nu al dat supporters in Engeland zich beginnen te roeren. Football Supporters Federation, met een half miljoen leden, pleit nu ook voor maatregelen om de spanning te verhogen. Als die beweging groot genoeg wordt en als media lastige vragen gaan stellen: op een gegeven moment gaan ook politieke partijen zich roeren. Waarom niet? Lijkt me een hartstikke interessante taak voor de EU.”

De hartekreet van Telstar-voorzitter Pieter de Waard vorige maand in de Volkskrant – „als we niet voor elkaar zorgen, gaat iedereen kapot” – onderstreept nog maar eens dat de ongelijke verdeling in alle lagen van profvoetbal een issue is. Zijn oproep tot solidariteit was in het klein precies wat Van der Burg schetst in het groot: voetbalclubs hebben elkaar nodig.