Het jaar van de lach boeken Nederlandse literatuur Vertaalde literatuur

Zo leerden we het op school – of stond het op de Bescheurkalender van Koot en Bie? Literatuur loopt slecht af en lectuur loopt goed af. Inmiddels wordt er alleen in verre uithoeken nog gedelibereerd over dat onderscheid en wordt het tijd om voorbij de afloop te kijken. Want de gedachte dat een boek pas goed is als het slecht afloopt, heeft geleid tot veel te veel romans waarin de ernst als heilig werd beschouwd, terwijl er niets zo onzalig is als humorloosheid. Gelukkig mag er inmiddels weer gelachen worden, en niet alleen bij schrijvers die zo grappig zijn dat ze van de weeromstuit niet serieus genomen meer worden – ik wacht nog steeds op de grote literaire prijs voor Herman Brusselmans.

Eigenlijk wisten we al dat grote literatuur altijd geestig is (van Don Quichot tot Bovary en Ulysses), maar gelukkig durven Nederlandse auteurs ons inmiddels lekker aan het lachen te maken. Zoals in de eerste drie boeken van dit rijtje – de geweldige Kees ’t Hart voorop. En eigenlijk de rest ook: want humor rust op een gevoel voor onderliggende betekenissen en vreemde verbanden: precies de kenmerken van goede literatuur. Waarbij we (daar zit het verschil met de bananenschillach) eigenlijk niet weten waarom iets zo geestig is.

Vanaf vandaag hanteren we dus een nieuwe definitie: bij lectuur huilen we om wat we weten, bij literatuur lachen we om wat we niet begrijpen.

Arjen Fortuin