Haasje-over tussen recht en politiek, dat is de kern

Vorige week sloot Geert Corstens zijn termijn van zes jaar af als president van de Hoge Raad. Opmerkelijk genoeg met de publicatie van een boekje voor een breder publiek. Meestal verschijnen bij dit type vertrek fraaie gebonden bundels, met geleerde hobbyartikelen van collega’s. Liberi amicorum, die in een stil hoekje van de boekenkast belanden. Corstens schreef De rechtsstaat moet je leren, een pocket van 150 bladzijden, dat iedere leek in een middagje uit leest. Ook fijn voor in de trein.

Het is ietsje moeilijker dan Oom Jan leert zijn neefje schaken, van Max Euwe. Maar niet veel. Alles wat een staatsburger moet weten, van het recht, de rechter en de rechtsstaat, staat er wel ongeveer in. Enthousiast, toegankelijk, helder en hier en daar ook lekker scherp. Over het Kamerlid Taverne (VVD) die de rechter wil verbieden om de wet aan mensenrechtverdragen te toetsen ‘omdat het parlement dat al heeft gedaan’ zegt hij: „Dat klinkt mij in de oren als Lance Armstrong die zegt dat we dopingcontrole wel aan hemzelf kunnen overlaten.”

Corstens vindt mensenrechten de ruggengraat van onze beschaving en het Europese mensenrechtenverdrag de „vlag op de piramide van onze rechtsorde”. Van het ‘primaat van de politiek’, dat aan het Binnenhof als vanzelfsprekend geldt, moet hij niets hebben. Dat primaat bestaat volgens hem ook niet. In de rechtsstaat heeft niemand het laatste woord. Er is sprake van evenwicht, van checks and balances, waarin af en toe de rechter de knoop doorhakt. Waarna de politiek dan weer de regels kan aanpassen. En dat vaak ook doet. Haasje over, meer is niet nodig.

Een goede rechter is een terughoudende rechter, iemand zonder programma, die vooral kan luisteren en oordeelt met ‘verstandige voorzichtigheid’. Corstens is de man die de onafhankelijkheid van de rechter steevast omschreef als ‘le devoir de déplair’, de plicht om te mishagen. De rechter „wijst vonnis en bewijst geen diensten” zo citeert hij graag de Franse hofpresident Séguier, uit 1827. Toen de rechter de staat aansprakelijk hield in de Srebrenica-zaak en de politiek dit gracieus incasseerde, was hij trots. Op het systeem, niet alleen op de rechter met ruggengraat.

Corstens citeert instemmend Scalia en Breyer uit het Amerikaanse Supreme Court die de taak van hun rechtscollege als ‘doing nothing’ omschreven: niets doen. Maar daaraan toevoegden: „We do a great deal of nothing”. In het boekje wordt gestrooid met zaken die nergens over gaan, maar wel belangrijke rechtsvragen beantwoordden. Waarom peepshows onder het lage btw-tarief voor toneel mogen vallen. Dat een ziekenhuis schadeplichtig is, als het verzuimt aanstaande ouders in te lichten over de (vermijdbare) komst van een dubbel gehandicapt kind. Dat de politie verdachten opzettelijk sporen mag laten verspreiden door hun kleding tevoren van onzichtbare pluisjes te voorzien.

Het mooie van Corstens was dat hij nooit iets opzienbarends leek te zeggen. Dat zat ‘m in zijn licht Brabantse intonatie, immer aimabele houding en wat plechtige verteltrant. Geen politicus durfde zich echt aan hem te storen. Toch heeft hij opvattingen. In zijn publicitaire slotronde zei hij dat repressie „niet voldoende vruchten afwerpt”. Dat wie criminaliteit wil bestrijden vooral in preventie moet investeren, en in de jeugd. Al eerder noemde hij „het geloof dat zwaarder straffen bijdraagt aan een veiliger samenleving een gevaarlijke misvatting”. Verder vindt hij dat de politie bij Binnenlandse Zaken thuis hoort, niet bij Justitie. Dat de politiek „niet moet doorslaan” met het almaar belangrijker maken van het slachtoffer in het strafproces. En hou eens op, Openbaar Ministerie, om bij ernstige delicten zulke hoge schikkingen te treffen, buiten de rechter om.

Hij gaf in zijn termijn één keer een standje. Geert Wilders kreeg te horen dat zijn retoriek de rechtsstaat „ondermijnde”. Namelijk toen hij de uitkomst van zijn smaadproces tot maatstaf voor het publieke vertrouwen in de rechtsstaat uitriep. Politici moeten respect tonen voor de rechter en zich gematigd uitdrukken. Net als hij dus. Dan blijk je nog vrij veel te kunnen zeggen.