Een man die zielsveel van hommels houdt – en van wildpasteien

Dit is niet het boek dat werd verwacht. De lezer had zich ingesteld op een somber verhaal over de opkomst van de moderne landbouw, waardoor bloemrijke weiden zijn gedecimeerd en hommelpopulaties zijn ingestort, terwijl deze insecten zo van belang zijn voor de bestuiving van gewassen.

Niks daarvan. Dave Goulson heeft zijn boek Een verhaal met een angel vol enthousiasme geschreven. Hij is dol op hommels. Al twintig jaar onderzoekt Goulson genetica, gedrag en levensomstandigheden van hommels. Tegenwoordig doet hij dat aan de universiteit van Sussex, waar hij hoogleraar biologie is.

Hoeveel hij inmiddels ook over deze insecten weet, ze blijven hem voor raadsels stellen. Hommels herkennen de bloemen die zojuist al zijn bezocht, maar hoe precies? Welke ziektes tref je in hun ingewanden aan? Waarom verzamelen mannetjes van de steenhommel zich bovenaan heuveltoppen?

Zulke vragen vormen de rode draad door dit boek. Goulsons nieuwsgierigheid is onverzadigbaar. Regelmatig beschrijft hij de experimenten waarmee hij antwoorden probeert te krijgen. Als Goulson wil achterhalen of hij een steenhommel-koningin kan lokken met het feromonenmengsel van de mannetjes, plet hij tientallen kopjes in een oplosmiddel en smeert dat uit over een rij hekpalen in een natuurreservaat in het graafschap Hampshire – zonder resultaat overigens.

Deze, soms doldwaze, zoektochten tillen het boek uit boven de hommelwereld, en maken het tot een portret van wetenschappelijk onderzoek: zo is het om gedreven te worden door een onderwerp. Het begon toen Goulson zeven jaar was en verhuisde naar het platteland. Dave liep vanuit hun moestuin zo de weiden en bossen in. De paardekastanje vlakbij wemelde in de lente van de hommels. Met humor en zelfspot beschrijft hij hoe hij dieren begint te verzamelen, dood of levend. Met zijn eerste val voor nachtvlinders trekt hij vooral oorwurmen aan. Zijn interesse voor het opzetten van dieren loopt uit de hand. Goulson schrijft dat zijn slaapkamer „getooid met tal van nachtmerrieachtig misvormde dieren, steeds verder dichtgroeide”. Die jongensachtige onbevangenheid en humor houdt hij ook op latere leeftijd. Als je de volwassen Goulson volgt over een vuilnisbelt in Nieuw-Zeeland, waar hij de zeldzame donkere tuinhommel zoekt, begint hij ineens uit te wijden over zijn liefde voor wildpasteien.

Pas nadat je over zijn leven hebt gelezen en allerlei fascinerende dingen over hommels te weten bent gekomen, diept Goulson de achteruitgang van hommels uit. Hij is nooit somberend of verwijtend, maar zoekt naar antwoorden en oplossingen. Als het centrale probleem een tekort aan bloemen is (met name vlinderbloemigen zoals rode klaver en vogelwikke), waarom doen we daar dan niks aan?

Goulson richtte in 2006 met een paar collega’s de Bumblebee Conservation Trust op. De organisatie verspreidt informatie en zakjes bloemzaad en telt inmiddels 7.000 leden. Ook kocht Goulson vlak bij het Franse dorpje Épenède een vervallen boerderij met 13 hectare grond. Daar probeert hij de monocultuur van gras en haver te veranderen in een diervriendelijke bloemenzee. Het gaat tergend langzaam, vindt hij. Maar gaandeweg verschijnen toch bosjes heggewikke, vingerhoedskruid. Koningspages, vliegende herten, muizen, hagedisjes, kerkuilen, toornslangen, torenvalken. Elk jaar verblijft hij er een maand, met vrouw en kinderen. Dan ruikt hij de geuren van basilicum en tijm, hij hoort het gezoem van bijen en het getsjirp van sprinkhanen. Dichter in de buurt van de hemel kom je waarschijnlijk niet, schrijft Goulson.