Een dictatuur van normale mensen

Schrijver Gilbert Furian, opgegroeid in de DDR, was geen politiek activist maar nam ook geen blad voor de mond. Zo belandde hij in de cel. „Ik kijk niet terug met wrok. Maar ik ben door de DDR veertig jaar lang bedrogen.”

Schrijver Gilbert Furian geeft rondleidingen in de voormalige Stasi-gevangenis Hohenschönhausen in Berlijn. In de jaren 80 zat hij er zeven maanden gevangen. Foto Gordon Welters

‘Voor velen in de DDR was 9 november 1989 het overweldigende moment van de vrijheid. Voor mij niet. De opening van de Muur was eenvoudigweg een verder bewijs dat het afgelopen was met de DDR. Dat het regime niet meer met ons kon doen wat ze wilden. Op de avond van de negende november waren wij in ons weekeindhuisje. We keken van een afstandje naar wat er in Berlijn gebeurde, op tv. We hadden niet in het minst de aandrang er meteen naartoe te rijden. Dat zal ermee te maken hebben dat ik er sinds 1968, toen het Warschaupact Praag binnenmarcheerde, diep van overtuigd was dat hier nooit meer iets zou veranderen. Voor mij was het Westen bovendien niet het beloofde land. Ik was destijds, ondanks mijn afwijzing van de DDR, politiek romantisch links. De Bondsrepubliek Duitsland was synoniem voor kapitalisme. En daar was ik niet in geïnteresseerd. Goed, nu leef ik ermee. Ik accepteer de bijkomende schade – werkloosheid, prostitutie, drugs. De winst van persoonlijke vrijheden is zo belangrijk dat ik dit economische model op de koop toe neem.

„Voordat ik in 1985 door de Stasi werd gearresteerd, was ik al een paar keer met het systeem gebotst. In mijn familie was het normaal altijd te zeggen wat je denkt. Dat was in de DDR ongebruikelijk. Daar heerste een collectieve gespletenheid: in het openbaar zei men wat verwacht werd en thuis zei men wat men werkelijk dacht. Dat wist ook iedereen. Maar dat was bij ons thuis ongepast. Mijn ouders en grootouders zeiden: dat hoort niet, dat is huichelarij.

„Om te studeren moest je lid zijn van de ideologische jeugdorganisatie FDJ, de Freie Deutsche Jugend. Dus was ik lid geworden. Maar ik werd er na enige tijd uitgezet omdat ik op school altijd openlijk vertelde wat er bij ons thuis zoal politiek werd bediscussieerd. Het gevolg was dat ik na mijn eindexamen niet naar de universiteit mocht. Ik heb toen een logistieke opleiding gedaan. In militaire dienst zag een officier die belast was met cultuur, dat ik ook in kunst was geïnteresseerd. Hij vroeg mij zijn secretaris te worden en maakte me weer lid van de FDJ. Want dat moest voor die functie. Zo kon ik na de dienstplicht toch studeren. Het werd filosofie aan de Karl Marx Universiteit in Leipzig. Uiteindelijk werd ik twee semesters voordat ik zou afstuderen geschorst en weggestuurd. Want ik had in het openbaar kritiek geleverd op de inval van het Warschaupact in Praag.

Stasi

„Veel later kwam ik er achter dat er door een docent over mij werd gerapporteerd aan de Stasi. Destijds is me dat nooit opgevallen. Ik ging er vanuit dat ik te onbelangrijk was om te worden geschaduwd. Ik was maar een klein licht. Bovendien vond ik het ziekelijk je elke dag af te vragen of er misschien mensen zaten op te schrijven wat je zei. Dus dat deed ik niet, ik heb het verdrongen en ik wilde het niet weten. Ik beschik inmiddels over mijn Stasidossier met een observatieprotocol inclusief foto’s, die van zo dichtbij zijn gemaakt, dat ik het wel gezien zou hebben als ik erop had gelet. Maar dat deed ik dus niet.

„Toen ik me uitsprak tegen het optreden van de Russen in Tsjechoslowakije, stond ik niet stil bij de mogelijke gevolgen. Mijn moeder had me geleerd dat je niet gestudeerd hoeft te hebben om een fatsoenlijk mens te worden. Ik vond het daarom ook niet zo erg om te moeten stoppen met studeren. Maar ik maakte wel bezwaar tegen de argumenten die ze daarvoor gebruikten: immoreel, eerloos en tactloos gedrag. Ik vroeg het universiteitsbestuur eerlijk op te schrijven waarom ik werd weggestuurd. Dat werd genegeerd.

„Nadat ik van de universiteit was verwijderd, kwam ik in een baan terecht waarbij ik eenvoudig juridisch controlewerk moest doen bij de stadsverwarming. Ik had alle gedachten aan politieke verandering terzijde geschoven. Ik had mijn niche opgezocht, dat was voor mij de kerkmuziek en een paar vrienden in de culturele ondergrondse. Politiek heb ik me nergens meer mee beziggehouden, omdat ik dacht dat de verhoudingen voor de eeuwigheid vaststonden. Dat was de algemene houding in de DDR, een massaal escapisme.

Punkkalender

„Ik leefde zo een aantal jaren tot een paar goede vrienden me in 1981 opmerkzaam maakten op de punks in Oost-Berlijn. Die subcultuur intrigeerde me. Hier waren jongeren die zonder vrees toonden dat je anders kon leven dan zoals voorgeschreven door de staat. Als je maar bijzonder onverzettelijk was. Via een sociaal werker die zich namens de kerk over zulke groepen ontfermde, zocht ik contact met hen.

„Er waren zo’n honderdvijftig tot tweehonderd punks. Ze werden constant door de autoriteiten in de gaten gehouden en ook normale DDR-burgers waren vijandig. Die vonden hen bedreigend door hun uiterlijk. De punks die ik opzocht dachten eerst natuurlijk dat ik van de Stasi was. Maar later vertrouwden zij me desondanks. Toen hebben we in een verbazingwekkende openheid gesprekken gevoerd. Ik heb al die gesprekken uitgetypt en een jaar of twee bewaard in een la.

„Ik had de gewoonte rond de jaarwisseling voor vrienden en kennissen een kleine kalender te maken. Met eigen gedichten, fotocollages of prenten van vrienden. In 1984 had ik geen idee voor mijn kalender. Toen herinnerde ik me die interviews met die punks. Daar heb ik toen een punkkalender van gemaakt. Die heb ik in het bedrijf waar ik werkte stiekem laten vermenigvuldigen. Dat was verboden. Ik heb negentig van die kalenders verspreid in Oost-Berlijn onder vrienden en familie. Maar tien exemplaren gaf ik mee aan mijn moeder, die mocht als gepensioneerde op familiebezoek in het Westen. Toen ze naar Stuttgart reisde vond de douane die kalenders in haar koffer. Vanaf dat moment begon de Stasi mij te schaduwen.

„Het heeft nog drie maanden geduurd voordat ze mij arresteerden. Tot dat moment hebben ze alles onderzocht en mij iedere minuut van de dag bespied. Uiteindelijk hebben ze me op mijn werk gearresteerd. Mijn collega’s vertelden me jaren later dat ik krijtbleek en bibberend mijn spullen heb gepakt en ben meegegaan. Vervolgens ben ik zeven maanden in voorarrest geweest in de geheime Stasi-gevangenis Hohenschönhausen. Sinds 1997 geef ik daar rondleidingen. Ik laat bezoekers altijd horen hoe het klinkt als de celdeur achter je wordt dichtgegooid en vergrendeld. Zo wil ik duidelijk maken dat voor de gevangenen hier geluiden een enorme rol speelden. We wisten niet waar we waren en we konden nooit naar buiten kijken.

„Vroeger werden mensen in Hohenschönhausen mishandeld. Maar toen ik er zat, pasten ze vooral geraffineerde psychologische kwellingen toe. Uiteindelijk werd ik veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en twee maanden wegens ‘het vervaardigen van notities die de belangen van de DDR schaden’. Na vier maanden werd ik tot mijn verrassing vrijgekocht door West-Duitsland. Maar ik had geen belangstelling om naar het Westen te gaan. Oost-Duitsland was mijn land, dus ik bleef.

„Op dit moment is er een politiek debat gaande over de vraag of de DDR een ‘onrechtsstaat’ was of niet. Ik weet niet of het vruchtbaar is om zo in het algemeen met dat begrip te werken. Natuurlijk was de DDR geen rechtsstaat. Maar de term ‘onrechtsstaat’ maakt iedereen medeplichtig en dat is onterecht. Veel mensen hadden een afkeer van de SED [de communistische partij, red.]. In mijn familie bijvoorbeeld werden alle mensen die met een SED-speldje rondliepen beschouwd als tegenstander. Zij hoorden bij de staat en de staat was de vijand. Zo ben ik opgevoed. Een begrip als ‘onrechtsstaat’ gebruik ik daarom niet graag, het is een sjabloon.

„Zo is de DDR ook wel een ‘voogdijstaat’ genoemd. Het volk was onmondig gemaakt, ontoerekeningsvatbaar, maar de de staat trad op als voogd die zorgde voor iedereen die zich volgens de regels gedroeg en die degenen strafte die dat niet deden. Vandaar dat veel mensen nu graag zeggen: het was niet allemaal slecht. Dan wordt bijvoorbeeld gewezen op de gezondheidszorg van de DDR: dat was zo goed! Dan zeg ik altijd: onze eerste zoon is onder DDR-verhoudingen op de wereld gekomen. Daar heerste de dictatuur van het ziekenhuis. Toen ik na achttien uur moeizaam bevallen de dokter vroeg of hij niet eens wilde nadenken of dit niet anders kon, werd ik het ziekenhuis uitgegooid en het kind werd met de tang verlost. Met geweld dus. De tweede zoon is onder ‘Bonds-Duitse’ verhoudingen ter wereld gekomen. Er was een gynaecologe die zich hartelijk om mijn vrouw heeft bekommerd, haar angst heeft weggenomen, zodat er een heel mooie, normale bevalling was. Dat houd ik altijd de mensen voor die dwepen met de DDR-gezondheidszorg.

„Mensen die zich richten op details die goed waren, verduisteren tegelijkertijd het grote onrecht. Ik zou zeggen: men kon in de DDR een zinvol leven leiden waarvoor je je nu niet hoeft te schamen.

Geen monsters

„Sinds 1991 verzamel ik getuigenissen voor mijn boek over het DDR-systeem, waarvan regelmatig nieuwe edities verschijnen. Ik spreek altijd met slachtoffers maar ook met daders. Het is mijn bedoeling een complex beeld te laten zien. Niet de tunnelvisie van de gevangene. De voormalige gevangene neigt er natuurlijk toe alleen te wijzen op de vernederingen en alles wat er met hem gebeurd is. Ik zeg: als we willen begrijpen hoe de DDR heeft gefunctioneerd dan moeten we de mensen aan de andere kant van de barricade ook horen. De agenten van de Stasi, de rechters, de bewaarders, de officieren van justitie. Dat betekent niet dat ik begrip heb voor wat zij gedaan hebben. Natuurlijk veracht ik hen. Iemand die aan de andere kant van de barricade gestaan heeft, kan ik alleen maar verachten. Ik heb echter ontdekt dat het heel normale mensen zijn. Geen monsters. Des te gevaarlijker dus als je weet dat uit heel normale mensen een dictatuur kan ontstaan.

„Als ik terugkijk, doe ik dat niet in wrok. Ofschoon er een moment was nadat de Muur was opengegaan dat ik wel kon huilen. Ik zag bij de boekkraampjes op Unter den Linden boeken die ik als filosofiestudent graag had gelezen. Maar die ik niet mocht lezen. Ze waren verboden voor de normale studenten. En daar lagen ze plotseling. En het was voor mij te laat. Ik kon niet heel mijn studie opnieuw doen. Dat was een moment waarop ik diep innerlijk begreep dat ik door de DDR veertig jaar lang bedrogen ben. Toen kwamen bijna de tranen. Maar het was voorbij en ik moest ervoor zorgen nu een leven te leiden onder vrije omstandigheden en daarom zeg ik: ik kijk niet terug met wrok. Dat heeft ook met mijn karakter te maken. Ik ben een vergevingsgezind mens. Maar iedere keer als ik in de gevangenis rondloop met bezoekers, ben ik vervuld van leedvermaak dat deze staat, de DDR, niet meer bestaat. Het is misschien een beetje zelftherapie omdat ik hierin bevrediging vind: die staat is er niet meer, de geheime politie is er niet meer en ik loop hier nu rond als vrij man. Zo bezien is het voor mij elke dag 9 november.”