De verrassende vondst van het zoutvaatje

Bekende vouwsels waaronder het bootje, het molentje en, drie keer, het zoutvaatje Foto Studio NRC

Als van gemeentewege hinkelbanen worden aangelegd weet je dat het niet goed gaat met het hinkelen. De helft van de lol van het hinkelen, zeggen deskundigen, bestond uit het tekenen van het hinkelparcours en de voortdurende uitbreiding daarvan. Het ging met een stuk krijt, met een potscherf of met wat je had. En het ging schots en scheef.

Nu zal de overheid zeker bepalen hoe en waar er gehinkeld wordt? ’t Is voorbij met het hinkelen, dat ziet een kind. Van de tachtig kinderspelen die Breughel in 1560 afbeeldde zijn er nog geen vijftien over. En dan nog: wat stelt het steltlopen, tollen, knikkeren, bellenblazen en bokspringen tegenwoordig voor?

Zo viel het besluit om nog eens goed uit te zoeken hoe het hinkelen in elkaar stak voor het was verdwenen. Wat was de bedoeling, wat waren de regels, wanneer had je gewonnen? En hoe zat dat in het buitenland? In Engeland heet het hinkelen hopscotch, in Frankrijk jouer à la marelle en in Duitsland Himmel oder Hölle. Daar spreekt verschil van opvatting uit.

Maar de plannen veranderden subiet toen bleek dat ‘Himmel oder Hölle’ in de eerste plaats een Faltspiel was, ‘nicht zu verwechseln mit dem gleichnamigen Hüpfspiel’. Bij het Faltspiel toonde google een intrigerend papieren vouwwerkje dat ook in Nederland nog volop in gebruik is. Maar hoe het heet weet lang niet iedereen.

De hinkeldeskundigen wisten het meteen: het wordt een ‘peper- en zoutvaatje’ genoemd, of gewoon een ‘zoutvaatje’. Niemand weet waarom, want het vouwwerk wordt uitsluitend als orakel gebruikt. Het voorspelt de nabije toekomst, die staat aan binnenkant van de papieren flapjes beschreven. In de helft van de gevallen pakt het goed uit, in de andere helft juist niet.

Google sloeg inderdaad aan op ‘peper- en zoutvaatje’ maar onmiddellijk kwamen allerlei andere aanduidingen naar boven: happertje, vogelbekje, orakel, fortune teller, origami love game, you name it. Wie niet beter weet denkt dat het zoutvaatje één van die vele origami-vouwsels is.

Dit is raadsel twee, want Nederland kent het origami-vouwen pas vijftig jaar. In 1963 werd hier het eerste origami-boekje uitgegeven en pas in 1966 arriveerden de origami-meisjes die in hun kimono een Japans vogeltje vouwden. En het ‘zoutvaatje’ is veel ouder. Er zijn mensen die al in de jaren veertig zoutvaatjes vouwden.

Het hinkelonderzoek werd zoutvatonderzoek. Waar komt het zoutvaatje vandaan, hoe oud is het en waaróm heet het een zoutvaatje? De onderzoeksroute liep langs het digitale krantenarchief van de Koninklijke Bibliotheek, langs books.google en langs de ‘illustraties’ van het gewone google. In een paar uur was bereikt waar vroeger weken voor nodig waren, vooral dankzij het feit dat de Nederlander zijn ‘peper- en zoutvaatje’ altijd bij dezelfde naam heeft genoemd, al ging het soms wat plechtig. De Tweede Kamer had het in 1922 over ‘vouwsels uit de reeks peper- en zoutvat’ – let op het meervoud. Men besprak een onderwijsmethode.

De mars over internet voerde langs het boekje Fun with paper folding dat in 1928 in New York verscheen. Het was, zegt een anonieme deskundige, het eerste boek in het Engels dat geheel aan papiervouwen was gewijd. De auteurs komen uit padvinderijkring en zij noemen het zoutvaatje een ‘cootie catcher’ maar gelukkig ook: ‘salt cellar’. Het boekje is in 1960 door Dover Publications opnieuw uitgegeven en ten onrechte bij origami ondergebracht. Dat raakte toen net in de belangstelling.

De verrassing van de week was dat in Nederland al in 1863 een boekje uitkwam dat uitsluitend het vouwen van papier besprak. Het is deel één van de serie De kleine papierwerkers van Elise van Calcar die een overtuigd aanhanger was van de pedagoog Friedrich Fröbel. En vooral van de onderwijsmethode die deze ontwierp voor de ‘kindertuinen’ die wij ‘kleuterscholen’ noemden. (Amerikanen vonden Kindergarten wel een mooi woord, Fröbel deed het al vroeg heel goed in Amerika.)

Nederland leerde Fröbel pas kennen in 1859, zeven jaar na zijn dood, toen een handleiding voor de kindertuinen werd uitgebracht. In 1863 kwamen daar de Fröbel-werkjes voor huisgezin en school bij. Vertaald door Elise van Calcar. De kleine papierwerkers zijn er uit afgeleid, want Fröbel zag, behalve in boetseren en matjesvlechten, veel goeds in het vouwen van papier. Het knutselen versterkte het geometrisch inzicht langs natuurlijke weg.

In Calcars ‘papierwerkers’ vinden we klassiekers als het zoutvaatje, het scheepje en de molen. Ze komen van Fröbel, dat staat vast, en de vraag is dus hoe Fröbel eraan kwam. Dat is in kaart gebracht door de origami-historicus David Lister. Fröbel, geboren in 1782, kende de klassiekers gewoon uit zijn kindertijd. In de negentiende eeuw was de klad gekomen in het papiervouwen maar in de achttiende eeuw werd het volop beoefend. In heel Europa.

Wat werd er gevouwen? Sterren en vogels, maar vooral: het zoutvaatje, het scheepje en de molen. Ze zijn misschien wel eeuwen oud en Lister sluit niet uit dat de ontwerpen zijn voortgekomen uit het kunstige servetvouwen dat rond 1550 zo’n vreemde bloei beleefde.

Het zoutvaatje is Europees cultureel erfgoed! Maar wát, voor de drommel en droes, heeft het vouwsel met zout te maken? Dat zie je vanzelf als je het happertje of orakel omdraait. Want het wordt tegenwoordig ondersteboven gebruikt. Zet je het in negentiende-eeuwse positie dan zie je vier vaatjes bij elkaar. Daar deden kinderen dan zout of zand in.