De logica van een boekhoudertje

Miljoenenroof

De boekhouder van een culturele subsidieverstrekker rooft miljoenen van zijn werkgever. Journalisten Kagie en Husken maakten een fascinerende reconstructie.

Omdat Clemens K. niet meer dan 50.000 euro in een keer kon overmaken uit de kas van het Fonds Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst, kreeg hij rond middernacht pijn in zijn vingers van het typen. Het ‘boekhoudertje’, zoals zijn criminele kickboksvrienden hem noemden, had toen al miljoenen overgeschreven, naar rekeningen waarvan hij de nummers kreeg van de man die naast hem zat.

Al die tijd lag er een pistool op tafel. Dat was nodig om K. tot actie aan te zetten. En toch hing er die avond geen ‘naargeestige sfeer’ in de kamer. Samen met de man van het pistool voerde K. ‘aangenomen werk’ uit. Ze waren collega’s, eigenlijk.

Het is een typerende anekdote uit De miljoenenroof, de reconstructie die journalisten Rudie Kagie en Marian Husken maakten van de zaak Clemens K., de man die een subsidieverstrekkende instelling beroofde van zestien miljoen euro, waarvan 4 miljoen zoek is gebleven. Typerend, omdat K. in de maanden tijdens en na de roof voortdurend de brede grens bewandelde tussen slachtoffer en medeplichtige. Ja, hij werd gechanteerd. Maar zijn afpersers had hij gekozen als handlangers. En hij bleef vriendschappelijk met ze omgaan, zelfs nadat ze hem hadden bedreigd of afgeperst. De man van het pistool zou hem zelfs met de kolf van zijn wapen tegen het hoofd slaan. Het maakte K. niets uit. De twee gingen gewoon door: partners in crime.

De miljoenenroof brengt goed in beeld hoe Clemens K. van lieveling van kunstbobo’s transformeerde tot uitgebuite sukkel van de onderwereld; van wie de kunstwereld vervolgens beweerde dat hij een eenling was, een vreemde eend in de bijt van de subsidiewereld. Kagie en Husken maken duidelijk dat dit in ieder geval niet klopt. K. had hooggeplaatste vrienden: Erik van Ginkel (nu Rijksmuseum), Lex ter Braak (nu directeur Jan van Eyck Academie), Melle Daamen (nu directeur van de Amsterdamse schouwburg). Ze droegen hem op handen, want hij wist hoe de boekhouding van een kunstsubsidie verstrekkende instelling werkte, iets wat niet ieder accountantskantoor is gegeven. Dat bleek wel toen zo’n instelling de boekhouding eens uitbesteedde en na korte tijd schoorvoetend bij K. terugkwam.

Kickboksvrienden

Bij zo’n subsidie verstrekkende kunstinstelling gaat het bij voortduring over de vraag wie waarom hoeveel geld krijgt, maar niemand – zo blijkt uit deze fascinerende reconstructie – verdiept zich in de vraag hoe het geld binnenkomt en hoe het wordt verstrekt. In dit land der blinden sloeg eenoog K. toe. Waarbij verkeerde kickboksvrienden hem een beslissend zetje gaven. Hij werd ‘krachtig aangemoedigd’, maar ‘niet echt gedwongen’, zo concluderen de auteurs. Af en toe stond er een brede, kale man in de huiskamer die Dimitri heette. Maar daar leek Clemens vrij snel aan te wennen.

Hoewel Rudie Kagie een van de best schrijvende journalisten van Nederland is, stelt dit boek stilistisch enigszins teleur. Stadjes ‘liggen onder de rook van’, snelwegen heten ‘highway’, K.’s zonen heten ‘zijn boys’ en er wordt zelfs ‘een liefdesbaby’ geboren. De uitgesleten uitdrukkingen en het stoere, thrillerachtig taalgebruik zijn wellicht bedoeld om dicht bij de taal van K. te blijven, maar ze hadden niet gehoeven. Het verhaal is mooi genoeg, fraai als een sprookje en echt als een nachtmerrie. K. ontwaakt er niet uit omdat hij telkens met een nieuwe misdaad de gevolgen van de vorige wil afdekken.

De grote vraag blijft natuurlijk: wat bewoog deze man? Kagie en Husken geven hun antwoord door de gebeurtenissen op een rij te zetten. Dat duurt wat langer dan een psychologische duiding of een opsomming van opinies, maar is wel spannender. Bovendien mis je zo geen detail: van ‘Yoegotypes’ en in stukken gehakte lijken tot de teleurstelling van de hoofdpersoon dat zijn vriendin een omgebouwde man blijkt te zijn.

De logica van meedogenloze criminelen, met hun hoogontwikkeld gevoel voor wantrouwen, kwam in deze misdaad samen met de kennis van een boekhouder uit de bovenwereld. In die wereld had K., met een forse dosis naïviteit, goed gedijd. Maar in zijn nieuwe wereld werd die genadeloos afgestraft. Tegelijk hadden die nieuwe vrienden weer geen flauw idee, tot ergernis van K., hoe je grote bedragen van een bankrekening afhaalt. De maatschappelijke onnozelheid van criminelen en de goedgelovigheid van K. vormen samen een weinig verheffend mengsel dat tot geweld en zelfs moord leidde.

Saillant voor iemand die kunstsubsidie verstrekt: K. blijkt voortdurend bereid een dienst te leveren waarbij de tegenprestatie in de toekomst ligt. Precies zoals kunstsubsidie aan kunstenaars wordt verstrekt: op basis van een belofte van een dienst – kunst – geleverd in de toekomst. K. blijft dit doen, zelfs als hij in Frankrijk op de vlucht is voor politie en afpersers. Als hij geen geld meer heeft, geeft hij horloges ter waarde van 50.000 euro voor de vage toezegging een vals paspoort voor hem te regelen. Pas wanneer hij dreigt naar de politie te stappen, krijgt hij zijn paspoort.

Het verhaal is heel spannend, maar de vertelvorm kent een groot nadeel. Bij alles wat de alwetende verteller opdist, blijft de vraag: hoe weet hij dat? Van wie komt die informatie? Hoe betrouwbaar zijn de bronnen van de reconstructie?

Hoe weten we dat?

Dat er geen naargeestige sfeer hing, bijvoorbeeld, die avond dat Clemens geld overboekte met een pistool op de tafel: hoe weten we dat? Niet van K., want die hebben Kagie en Husken niet gesproken, zoals ze eerlijk in hun verantwoording schrijven. Komt het uit het verhaal dat de advocaten van K. vertelden? Of komt het uit de politieverhoren? Zouden ze gesproken hebben met Sander K., de man van het pistool?

Ook bij belangrijkere kwesties blijven dat soort vragen onbeantwoord. Tegelijk zijn het juist de raadselen rond Clemens K. die zijn verhaal zo interessant maken. Waarom, bijvoorbeeld, had K. aan één verkeerde vriend van de sportschool niet genoeg? Nadat hij zich had laten belazeren door een man die de moeite had genomen zich voor te doen als een vriend, ging hij in zee met mannen als Dimitri en zijn kickboksvriend Andrei, uit Estland, die geen enkele moeite deden vriendschap te tonen. Die zouden hem, voor veel geld, wel helpen zijn oude vriend op te snorren.

Als we de lezing in De miljoenenroof moeten geloven, is het de logica van de gokverslaafde: als je toch al geld hebt verloren, ben je bereid nog meer geld in te zetten in de hoop alsnog te winnen. De politie volgde die logica niet. Na ondervraging van K. luidde de conclusie: ‘geen logisch gedrag’, wat nooit in het voordeel van de verdachte spreekt. Want: ongeloofwaardig.

Het is de verdienste van Kagie en Husken dat het ogenschijnlijk onlogische handelen van K. in Miljoenenroof geloofwaardig is. Al wordt niet echt duidelijk wie of wat ze erbij heeft geholpen.