Confucius uit Betondorp

Vooruitblikkend op de naderende dag dat Johan Cruijff vijftig jaar geleden zijn profdebuut bij Ajax maakte, had Voetbal International een ruimhartig interview met de Verlosser. Ook nu weer pakte hij uit met hallucinerende beeldspraak: „Weet je wat het is, in je laatste jas zitten geen zakken.” De eens zo ongrijpbare slungel is dus ook met de dood bezig.

Op zijn 67ste.

Over de intiemere plattegrond van het bestaan als daar zijn: liefde, overspel als doodsangst, slepende nostalgie naar wat is geweest, geen woord. Het privéleven van Cruijff blijft een burcht, zonder ophaalbrug. Ik heb me er bij neergelegd dat we de emotionele inner circle van de genius nooit zullen kennen. Doodjammer. Niet uit voyeuristisch genot, maar omdat legendes ondeelbaar zijn. En omdat achter het hilarische voetballatijn wellicht een infrawezen schuilgaat dat iets kleiner van formaat, maar zoveel menselijker is.

In het interview zegt hij dat er door spelers en coaches vooral gelachen moet worden. Hij wou altijd vrolijke gezichten om zich heen. Drie zinnen verderop gaat hij in contramine met zichzelf: „Jaap Stam zou een prima opvolger van Frank de Boer zijn.” Niks mis met Jaap, natuurlijk, maar heeft iemand de ontembare mandekker ooit zien lachen? Hooguit een enkel geliefde, wellicht. Contradictie als kunst – Johan Cruijff is er de grootmeester van.

Al een halve eeuw is Nederlands meest bekende voetballer een onpeilbaar imbroglio van wijsheid, rancune, casuïstiek en voetbalintelligentie. Slap ouwehoeren kan hij ook.

Confucius uit Betondorp.

Je kan veel zeggen van Cruijff, maar niet dat hij versteend is in glorie. In de dertig jaar dat ik hem ken en soms sprak is hij geen spat veranderd. Niet in opvattingen, niet in taal en stokpaardjes. Een lichte chaos in het hoofd is zijn meest solide zelfkant gebleven. Wel veranderd zijn de clichés die over hem rondzongen. Nooit hoor je nog over de geldwolf Cruijff. Of over de intolerante wereldverbeteraar. De stoker van Oranje? Lang geleden met pensioen gegaan. Zelfs bij de huidige malaise van het Nederlands elftal houdt hij het vriendelijk en mild. „Guus Hiddink is niet zomaar een trainertje, hoor.”

Zijn fluwelen revolutie bij Ajax was op zijn minst controversieel. Er zat trouwens weinig fluweel aan de genocide. Maar typisch Cruijff: eens de poppetjes geplaatst zijn, kijkt hij een andere kant uit. Met enig gepsychologiseer zou je kunnen zeggen dat zijn hele carrière mede in het teken van bindingsangst heeft gestaan.

Een steen werpen en wegwezen.

Consequenter is hij in zijn allergie voor de institutionele macht van bobo’s. Andermaal zet hij directeur betaald voetbal, Bert van Oostveen, weg als hopeloos onbenul. „Wat weet die man van voetbal dan?” Zelf zou hij zich door dit soort creaturen nooit zoiets als een „plan van aanpak” laten opdringen. De gedachte alleen al is zum kotzen. Voor Cruijff zijn bestuurders in het voetbal, vooral die van de KNVB, per definitie farceurs waar je met een grote boog omheen moet lopen.

Pikant is zijn uitspraak over Danny Blind als toekomstig bondscoach. „De hele constructie rond Blind slaat nergens op. Niemand weet hoe Oranje en Blind er over twee jaar voorstaan.” Het is een dodelijke uppercut voor de huidige assistent- bondscoach, die naar Cruijffs smaak iets te lang en iets te schoothondjesachtig achter Louis van Gaal heeft aangelopen.

Man van ontleende autoriteit.

Hoe zou het nog met Danny zijn, vraag ik me iedere keer af als Johan profetisch in beeld komt. Zou ze dan nooit nog eens vóór haar schaduw willen dansen?

Alweer jaren snak ik naar haar stem.