Bouwen aan de Koreaanse Sven of de Nederlandse Ahn

Nederland en Zuid-Korea gaan samenwerken op weg naar de Spelen van Pyeongchang 2018.

Wie ziet het, in de storm rond het wisseldrama van Sven Kramer en zijn coach Gerard Kemkers? Een Zuid-Koreaanse schaatser, Lee Seung-hoon, wint ‘onze’ tien kilometer. Dezelfde die ook al zilver pakte op de vijf. Op de korte afstanden is er goud plus zilver voor Mo Tae-bum en goud voor Lee Sang-hwa. Vancouver 2010, Zuid-Korea heerst op olympisch ijs.

Ze zijn jong, komen uit het shorttrack en trainen waanzinnig hard. „De typisch Aziatische drillmethode”, looft coach Bart Veldkamp langs de baan van de Olympic Oval. ‘Slingeraapjes’ werden ze begin jaren negentig smalend genoemd, met hun nodeloos brede slag. Maar de Koreanen leren snel. Wereldmacht op de indoorbaantjes van het shorttrack waren ze al. Nu houden kenners ook rekening met een machtswissel op de 400 meterbaan. „Interessant om te kijken hoe Nederland reageert”, zegt Veldkamp in 2010.

Begin deze week ondertekenden de schaatsbonden van Nederland (KNSB) en Zuid-Korea (KSU) een samenwerkingsovereenkomst tot en met de Winterspelen van Pyeongchang 2018, in het bijzijn van president Park Geun-hye en koning Willem-Alexander. Ruim vier jaar na Vancouver is van het Zuid-Koreaanse langebaansucces weinig over. In Sotsji was er goud voor Lee Sang-hwa en zilver voor de mannen achtervolgingsploeg. Die mini-oogst stak schril af tegen het historische succes van Nederland: acht goud, zeven zilver, acht brons. „Nederland is een supermacht in het langebaanschaatsen”, meldt de website van de KSU. „Zuid-Korea is een supermacht in het shorttrack.” Dus kan samenwerking volgens bondsvoorzitter Kim Jae-youl een „win-win effect” opleveren.

Maar wie wint wat van wie? ‘We moeten onze voorsprong niet zomaar weggeven aan de concurrentie’, was op sociale media de primaire reactie op de samenwerking. Volgens Erik Bouwman, sinds augustus bondscoach langebaan van Zuid-Korea, is het juist bittere noodzaak dat Nederland andere landen helpt. „Anders valt het internationale schaatsen in elkaar.” Bij de nationale kampioenschappen in Seoul zag hij afgelopen weekeinde hoe groot het niveauverschil is. „Neem van mij aan dat Nederland zich voorlopig geen zorgen hoeft te maken of wij de Koreanen te veel helpen en dat zij straks beter zijn. Voorlopig wordt het gat alleen maar groter.”

Profiteren de Nederlandse shorttrackers van Zuid-Koreaanse kennis? „Het is het meest succesvolle land in het shorttrack”, zegt Wilf O’Reilly, manager shorttrack bij de KNSB en net terug uit Zuid-Korea. Sinds 2002 ging de wereldtitel bij de mannen slechts twee keer naar een ander land: de Amerikaan Apolo Anton Ohno won in 2008, dit jaar was wereldtitel voor Viktor Ahn – een tot Rus genaturaliseerde Koreaan. Maar een oneindige bron van wereldrijders hebben ze niet. O’Reilly: „Dat is een aanname, een valkuil waar veel andere landen intrappen. Net zoals ze denken dat er na Kramer vanzelf weer een andere Nederlander komt die alles wint.”

Zuid-Korea heeft met 1.500 rijders niet eens zoveel meer shorttrackers dan Nederland (1.200), stelt O’Reilly. Het belangrijkste dat Nederland van hen kan leren is met een andere blik naar shorttrack te kijken. „We moeten af van het idee dat Nederlanders niet kunnen shorttracken omdat we te lang zijn. Dat is natuurlijk onzin, maar als je het vaak genoeg zegt ga je het geloven.” Bovendien: „Wat moeten wij van hun leren? Wij zijn op de relay wereldkampioen.”

De samenwerkingsovereenkomst is volgens O’Reilly breder dan alleen sporttechnisch. „Het gaat ook om de structuur. Hoe heb je de sport georganiseerd om een schaatsfabriek neer te zetten? Hoe maak je een schaatser die nu 12 of 13 is tot de nieuwe Sven Kramer?” Ook zakelijk kunnen beide landen kennis uitwisselen. „Nederlandse bedrijven kunnen misschien iets doen in Zuid-Korea en andersom.”

De samenwerking tussen bonden is niet zomaar op het niveau van coaches op het ijs, zegt shorttrack-bondscoach Jeroen Otter. „Dat duurt wel even.” Hij ziet alleen maar voordelen, en niet alleen om een kijkje te nemen in de Koreaanse shorttrackfabriek. „Laat de Koreanen ook maar kijken wat wij doen. Dan word je gedwongen creatief te zijn en verder te vernieuwen. Het is zo makkelijk om jezelf te bevestigen dat het allemaal goed gaat. Dat is het begin van het einde.”

Hoewel de Koreaanse mannen dit jaar tegenvielen in Sotsji – geen enkele medaille – praat Otter met passie over hun talenten. „Als je met de Koreanen traint stap je in een wereld waar je nog nooit bent geweest. Bij sommige acties op het ijs denk je: waar kwam dat nou weer vandaan? Dat wil ik weten. Wij hebben onze troeven, maar zij hebben er altijd een paar meer. Of ze nou presteren omdat ze elke dag om zes uur beginnen, of dat ze met dertig man op het ijs staan, of dat de zweep erover heen gaat. Dat inzicht wil ik graag krijgen.”

De shorttrackers konden vorig jaar al een tipje van de sluier oplichten toen Kwak Yoon-Gy, wereldkampioen in 2012, enkele weken mee trainde in Heerenveen. Otter en zijn rijders ploeg keken af en toe hun ogen uit. „Hij glijdt heel makkelijk, en houdt met zijn schaats heel lang contact met het ijs. Als je je gewicht van je linker- naar je rechterbeen verplaatst, kun je even op het verkeerde been staan. Kwak kan op elk moment alle kanten op en dus heel snel van richting veranderen. Daar is hij een meester in.”

Bondscoach Bouwman denkt dat het Koreaanse langebaanschaatsen omgekeerd veel kan hebben aan de Nederlandse kennis, maar hij betwijfelt na een paar maanden in Seoul of zijn ideeën welkom zijn. „Je loopt hier tegen bestaande machtsstructuren aan. Ik heb soms het idee dat ik word tegengewerkt. De gevestigde krachten praten op de schaatsers in.” Hij is „geschrokken” van het niveau van de Koreaanse langebaanschaatsers. „De toppers waren in de na-olympische zomer niet bijzonder gemotiveerd, om het zachtjes te zeggen.”

Bouwman mist in Seoul vooral de drang om te vernieuwen. „De mensen die lang geleden successen hebben geboekt staan nog steeds aan het roer, met dezelfde trainingsmethodes. Ze hebben veel succes gehad, vooral op de korte afstanden. Die aanpak is vijftien jaar geleden ingezet, maar nooit aangepast. ‘Zo doen we dat hier nu eenmaal’, zeggen ze dan. Nederland heeft zich juist op allerlei vlakken doorontwikkeld. Alles is professioneler geworden, er is meer fysieke kennis, de trainingsopleidingen zijn van veel hoger niveau. De Koreaanse stayers trainen hetzelfde als de sprinters, maar dan twee keer zo hard. Ze vinden dat ze niet gebouwd zijn voor de lange afstanden. Vooral daar zie ik veel mogelijkheden voor progressie.”