Zolang je loopt, overleef je

Filippijnen

Een jaar geleden werden de Filippijnen getroffen door tyfoon Haiyan. Correspondent Melle Garschagen keert terug naar de mensen en plaatsen die hij destijds, vlak na de natuurramp, bezocht. ‘Mag ik met u mee naar huis? Ik wil hier weg.’

Een nabestaande van een slachtoffer van tyfoon Haiyan brandt kaarsjes op de begraafplaats van de San Joaquín-kerk in het voorstadje Palo. Morgen is het een jaar geleden dat de Filippijnen zwaar werden getroffen door de storm. Boven:Paspoppen staan uitgestald in Anibong. Onder: Een schip dat het land op werd gestuwd, ligt daar een jaar later nog. Foto’s AFP, EPA en Reuters

Op de markt van Tacloban hangt weer de geur van zoete mango’s. De vissershaven ruikt naar verse tonijn. Maar aan de achterzijde van het regionale medisch centrum van Eastern Visayas slaat de lijklucht meteen op de longen. Op brancards liggen zes stoffelijke overschotten in roze doeken, waar alleen de voeten uitsteken, net zoals de lijken een jaar geleden langs de kant van de weg lagen.

Zuster Dolores Casio zucht. „Het is tragisch. Internationale donoren – van Hongarije tot Colombia – hebben ons geld en apparatuur gegeven. De overheid steekt geld in de bouw van een nieuw ziekenhuis verderop. Geen enkele organisatie heeft een potje voor een mortuarium. We hebben geen koeling. Het herinnert iedereen aan de ramp van vorig jaar”, zegt Casio.

De staat van het ziekenhuis is typerend voor Tacloban, een jaar nadat Haiyan – de krachtigste tyfoon die ooit over land trok – de stad in puin legde. De afdeling neonatologie beschikt over de modernste couveuses en hartslagmeters. Dat is nodig. Baby’s worden vaker prematuur geboren omdat de moeders te veel stress hebben, slecht eten en in drukke opvanghuizen wonen.

Daarnaast is het aantal tienermoeders verdubbeld sinds de natuurramp, zegt Casio. „Die meiden hebben bijna alles verloren. Ze zitten dicht op leeftijdgenoten en hebben maandenlang geen school of werk gehad. Ze willen de ellende vergeten. Dat er dan een baby komt, begrijp ik best”, zegt ze en wijst op een houten bank voor de ingang waar een lange rij tengere meisjes met dikke buiken geduldig wacht.

De storm stuwde vorig jaar een metershoge vloedgolf de trechtervormige baai van Tacloban in. Er vielen in totaal zeker 6.300 doden. Op sommige plekken merk je er nu niks meer van. De McDonald’s is weer open, net als winkelcentrum Robinson’s Place. Beide zijn de hele week afgeladen. Daar kunnen bewoners even een Big Mac eten en doen alsof de wereld normaal is.

Maar loop tien meter, zoals van neonatologie naar het mortuarium, en het lijkt alsof Haiyan (of Yolanda, zoals de typhoon ook genoemd werd) hier was. Daken van golfplaat hangen nog in bomen, door de wind als strikjes om stammen gevouwen. Elektriciteitsdraden bungelen en huizen liggen in puin. Naast de ruïnes hangen wasjes aan een lijn te drogen. Dat er überhaupt was te drogen hangt, is het resultaat van een jaar keihard werken en domweg overleven door de bewoners.

Na de ramp liepen ze als zombies door hun wijk, op zoek naar vrienden en familie, levend of dood. Daarna liepen ze uitgeput op zoek naar eten, schoon water en medicijnen. Toen liepen ze met hamers, tentzeilen van de VN-vluchtelingenorganisatie en hout van omgewaaide palmbomen. Nu lopen de meesten weer naar school, werk of de kerk. Zolang je loopt, overleef je.

Remedios Petilla zucht als ze nadenkt. Ze is zo moe. Het liefst wil ze een weekend naar Manila om even naar de kapper te gaan en egocentrisch te zijn. Dat is haar niet gegund. Petilla is burgemeester van Palo, een voorstad van Tacloban waar duizend doden vielen. Toen deze krant haar vorig jaar sprak, maakte ze een diepe indruk. Een kleine vrouw van middelbare leeftijd die tussen de drab, bloed en ellende in een hagelwitte polo haar manschappen leidde. Ze lacht desgevraagd bij de herinnering. „Ik kon niet anders. Het voelt nog steeds alsof ik mijn mensen in de steek laat, zelfs als ik naar een conferentie over wederopbouw in Manila ga”, zegt ze op het stadhuis.

Hoe diep de wonden in Palo zijn, blijkt op Allerzielen, afgelopen zondag. De kathedraal van Palo heeft weer een dak, maar de helft van de parochianen moeten de mis buiten volgen aangezien het schip van de kerk nog vol puin ligt. Alleen bij het altaar staan banken opgesteld. Na de dienst verzamelen de gelovigen zich op een ommuurd rechthoekig grasveld. Op de muur staan 38 marmeren plakkaten met ieder drie namen. Het laatste plakkaat is opgedragen aan de Unknown Men, Unknown Women and Unknown Children die hier begraven liggen. In totaal liggen er ruim 150 stoffelijke overschotten in het massagraf. Verderop liggen nog vierhonderd bewoners begraven.

De buurtbewoners bidden, huilen, steken kaarsen aan en omklemmen rozenkransen. Het gevoel dat Nederland na de MH17-ramp meemaakte – iedereen kende wel iemand die iemand kende aan boord van de rampvlucht – geldt hier nog vele malen sterker. Iedereen kende wel iemand van de Arellano-familie. Ze stierven met zijn tienen toen de vloedgolf Palo opslokte. Voor alle tien brandt een kaars.

Zulk verdriet heelt niet in een jaar, zegt Petilla. „Maar ik heb het gevoel dat het goed gaat met mijn mensen. Deze maand verhuizen de laatsten van de tijdelijke opvang naar nieuwe permanente huizen. Ik zat laatst in een helikopter en mijn ogen deden pijn van alle glimmende nieuwe daken. Dat is een goed soort pijn. De economie trekt aan, bedrijven keren terug, net als de rijkere bevolking die de middelen had om te vluchten. Ook zij beseffen dat ze hier hun land bezitten, hier hun connecties hebben en hier hun leven moeten leiden”, zegt de burgemeester. Ze hoopt dat nu het stadje weer overeind staat, de bewoners zich het komende jaar kunnen verzoenen met wat er gebeurd is. „Als ik ergens mee zit, kook ik graag. Dan bereid ik een enorme Filippijnse feestmaaltijd voor mijn gezin. Dit jaar heb ik nauwelijks gekookt en dat geldt voor de meesten.”

In januari komt paus Franciscus op bezoek. „Dat is belangrijk. Hij laat zien dat de wereld om ons geeft. Laat dat een moment zijn waarop wij helen”, zegt Remedios.

Terug in Tacloban loopt vader Edwin Bacaltos door zijn Onze Moeder van Eeuwige Bijstand-kerk. Bacaltos wilde tijdens een dienst kort na Haiyan zijn parochianen moed geven, maar barstte tijdens zijn preek in tranen uit. Zijn kerk werd een opvangcentrum voor ruim 300 ontheemden.

Op 30 november 2013 heb ik iedereen laten vertrekken, zegt Bacaltos. Hij ziet er tien jaar ouder uit, met diepe groeven in zijn gezicht. „Wij moesten weer normaal proberen te doen”, zegt hij. Het grootste probleem in zijn barangay, ofwel buurt, is een gierend tekort aan bouwgrond. De plekken waar de bewoners woonden lagen pal aan het water. Dat mag niet meer van het gemeentebestuur. De overheid wil de bewoners kilometers landinwaarts verplaatsen. „Maar dat willen mijn mensen niet. Ze werken hier. Ze moeten dicht bij de stad zitten”, zegt hij.

Als gevolg zitten nog slachtoffers in noodvoorzieningen. „Er zijn mensen die al een jaar in tenten wonen. De mensen van de Wereldgezondheidsorganisatie en de Verenigde Naties, die zelf die tenten hebben gegeven, zeggen dat dat ongezond en sociaal ongewenst is. Ik denk nu een goed stuk land gevonden te hebben en hoop dat iedereen in mijn parochie volgend jaar een echt dak boven zijn hoofd heeft”, zegt Bacaltos.

De meisjes van San José weten nauwelijks meer wat dat is: een dak boven hun hoofd. Ze zitten in een hut van spaan- en golfplaat. Het lijkt alsof Harlene Ocenar (18) samen met een groep kinderen en tieners kampeert in de natuur. Waar nu struiken en bananenplanten staan, stond vorig jaar nog een woonwijk met huizen van steen en hutjes. Dat is het voordeel van een ramp in de Filippijnen: naargeestige kaalslag wordt vanzelf snel tropisch natuurschoon.

Ocenar woonde met haar ouders, broers en zussen in San José, een wijk bij het vliegveld van Tacloban aan het water, waar er geen eiland, rotsblok of zandbank is om de kracht van een tyfoon uit de Stille Oceaan te breken. „Opeens moest ik zwemmen”, vertelt Ocenar over het moment dat de vloedgolf kwam. „Ik denk wel een uur. Toen zag ik een zeecontainer in het water. Daar ben ik op geklommen.” Om haar heen raasden tornado’s en vlogen vlijmscherpe brokstukken. Continu dreven er lichamen langs. Vier uur zegt ze op de container te hebben gezeten. Drie zusjes overleefden de ramp. Haar ouders worden nog vermist.

Na Haiyan kwam ze in een tentenkamp, waar haar tante, neven en nichten stierven na een brand. Nu woont ze in de hut. „Dit is een kerk”, zegt ze verontwaardigd. Aan de muur hangt inderdaad een kruis.

Een kleine evangelische kerk uit Cebu, een grote havenstad op een nabijgelegen eiland, ontfermde zich over haar. De hut blijkt ook dienst te doen als opvangcentrum. De kerk stuurde ‘moeder' Annelien (21) om de wezen te helpen. Ocenar gaat weer naar school. „Ik moet leraar worden. Dat wil ik niet, maar als ik iets anders kies, helpt de kerk niet meer”, zegt ze.

Ocenar is taai en brutaal, een overlever. Ze lacht vaak, maar de tranen staan in haar ogen. Op de vraag of ze nog droomt over de toekomst, antwoordt ze: „Natuurlijk. Ik droom ervan op een dag mijn ouders te kunnen begraven.”

„Maar zo heeft God het gewild”, zegt Annelien, die weken na Haiyan uit het ongeschonden Cebu naar Tacloban is gestuurd. Ocenar knikt, met een blanco blik. Ze werpt haar lange bruine haren achter haar schouders. „Mister Melle. Mag ik u wat vragen. Mag ik met u mee naar huis? Ik wil weg.”