Wie heeft een bedrijfje en drinkt een latte? De stipster

Foto Thinkstock

Een start-up is tegenwoordig met een simpele website, een kekke naam en wat goede bedoelingen al snel opgezet. Precieze cijfers zijn er niet, juist omdat iedereen kan roepen dat ze ‘founder’ zijn van een start-up. Maar waar je vroeger nog wegkwam met het ontwerpen van ironische fun-apps, is het runnen van een start-up inmiddels uitgegroeid tot een heuse levensstijl.

Hoe word je een stipster, een hipster met een start-up?

1. Wees blank, hoogopgeleid en welbespraakt

De populaire start-upcultuur is misschien het resultaat van moeilijk economische tijden – en heus, sommige start-ups zijn te prijzen om hun creatieve vernieuwingen – maar eerlijk is eerlijk: de gemiddelde oprichter is niet per se iemand die moeilijk aan een baan kan komen.

Hij of zij ziet er goed uit, komt uit de blanke middenklasse, heeft twee werkende babyboomouders, heeft gestudeerd en is welbespraakt. Maar langstuderen is alweer een tijdje uit de mode en je bent gewend geraakt aan vrijheid en kritiekloosheid. Toch zal een stipster nooit toegeven dat de werktijden van een ‘normale’ baan hem tegenstaan. Ze hebben gewoon nooit een ‘baan-baan’ gewild.

2. Benadruk dat je sociaal bezig bent

Je bent natuurlijk niet uit op rijk worden, maar op de wereld verbeteren. Stort je op de internationale ongelijkheid door in Amsterdam eerlijke koffiebonen te verkopen, richt je eigen studenten-zorgen-voor-bejaardenbedrijfje op, of ga andere hipsters coachen in hun beroepskeuze. Zonder te bedenken of de wereld nou echt geholpen is met het zoveelste eerlijke en duurzame Zuid-Peruaanse koffiemerk.

Uit een studie van onderzoeksbureau McKinsey blijkt dat het aantal voltijdbanen in de sociale ondernemingssector van 2010 tot 2013 met 25 procent is gegroeid in Nederland. Hoewel maatschappelijke impact voor sociale ondernemingen centraal staat, meet meer dan de helft van de Nederlandse ondernemingen deze impact niet, ontdekte McKinsey. Maar ach: niemand kan je nog bekritiseren op je bezigheden, want je doet toch goed?

3. Zie Scandinavië als grote voorbeeld

De Zweedse stipstersubcultuur is er eentje om tegen op te kijken. Het stikt er van de kleine, sociale ondernemingen die het wegvallende sociale overheidsvangnet moeten vervangen. Kinderen schijnen daar vanaf jongs af aan te zeggen:

“Als ik later groot ben, wil ik een sociale onderneming.”

Trouwens heel Scandinavië, met zijn eerste plaats op wereldranglijsten van gelukkigste aardbewoners, is een voorbeeld voor de stipster. Je gaat dus liever naar Helsinki dan naar New York (= te kapitalistisch). Dat terwijl hij in eigen land nog nooit in Diemen, of ergens anders ‘buiten de ring’ is geweest.

4. Woon in een wereldstad en werk in een koffiebar

Je bent te vinden in de grote steden. Zo moet de start-upsector Berlijn tot 2020 honderdduizend banen opleveren, volgens onderzoeksbureau McKinsey. In de Israëlische stad Tel Aviv barst het van de (hightech)start-ups.

Maar meer nog dan aan de grote steden, ben je vooral te herkennen aan je werkplek. Op comfortabele starttijden begeeft een stipster zich op zijn racefiets naar de CoffeeCompany, het kleine koffietentje van een vriend, of een omgetoverde fabriekshal die allerlei onderneminkjes huisvest. Eenmaal aangekomen start hij zijn MacBook op. Trouwens, over die koffie. Het blijft natuurlijk bij één filterzakje koffie of latte per dag. Je gelooft dat groene thee en slapen veel productiever is dan koffie en sigaretten.

5. Verkoop niet alleen een product maar vooral een goed verhaal

Helaas overleeft maar één op de tien start-ups. Toch zal een gedreven stipster proberen om in korte tijd van zijn bedrijfsnaam een werkwoord te maken, waar Google, Skype en Twitter jaren over hebben gedaan. Een doorgewinterde stipster heeft daarom niet één onderneming, maar meerdere. Hij of zij verkoopt niet alleen een product, maar draagt een volledige filosofie of morele overtuiging uit.