Shteyngart: zelfhaat is een noodzaak

Ergens op tweederde van zijn autobiografische roman Kleine mislukkeling schrijft Gary Shteyngart: ‘Wij Sovjet-Joden zijn simpelweg op het verkeerde feestje beland, omdat we niet wisten wie we waren. In dit boek probeer ik uit te leggen wie we wel waren.’

Mis. Veel meer dan over Sovjet-Joden die naar Amerika emigreren, gaat dit boek over die ene, atypische Sovjet-Jood: Gary Shteyngart, in 1972 geboren als Igor. Hoe vond hij als nerdy immigrantenkind zijn plek in het nieuwe vaderland? Welke rol speelde schrijven daarin en welke rol de gecompliceerde relatie met zijn ouders, die meer talent hadden voor kritiek dan voor liefde?

Het is een literair thema waarvoor Shteyngart, culturele acrobaat, lenige humorist, geknipt lijkt. En toch, de eerste tachtig, negentig pagina’s van Kleine mislukkeling doen het ergste vrezen. Ze zijn warrig van constructie, springend door de tijd, vol nodeloos wijdlopige zinnen: het werk van een schrijver die nog worstelt met de vorm. Mogelijk omdat dit deel reflecteert op de tijd dat het gezin Shteyngart in het toenmalige Leningrad woonde, een tijd waaraan de schrijver hooguit fragmentarische herinneringen kan hebben.

Igor, de ‘kleine mislukkeling’ uit de titel, is onhandig en gelooft heilig in Lenin. Hij is ‘een stemvork voor de angsten, teleurstellingen en vervreemding’ van zijn ouders, gaat gebukt onder nachtmerries en ontwikkelt al jong een drang tot schrijven. Met dank aan oma, die hem een stukje kaas geeft voor elke pagina van een kruising tussen Lenin-verering en Nils Holgersson.

Rustig

Maar dan, opeens, lijkt Shteyngart alsnog de juiste vorm te vinden, een cesuur die samenhangt met een breekpunt in het leven van de schrijver.

‘„Luister goed, mijn zoontje,” zegt mijn vader. „Ik ga je een geheim vertellen. We gaan naar Amerika.” Ik krijg geen adem meer. Hij omhelst me. Of misschien moet ik zeggen: hij omhelst me. Ik krijg geen adem meer. Hoe dan ook, we lopen over naar de vijand”.’ Vanaf dat moment wordt Kleine mislukkeling een meer lineaire, en daardoor helderder vertelling. Het hoofdthema, de zoektocht naar een identiteit en een plek in het Vrije Westen, wordt helderde zichtbaar. Al blijft Shteyngart breedsprakiger dan nodig , en minder geestig dan hij probeert te zijn.

We zijn in de jaren tachtig aanbeland. Igor wordt Gary, bijnaam Gnoe de Derde, woonachtig in droefgeestig Queens, New York, worstelend met de taal, armoede, eenzaamheid en dagelijkse hellegang van de Solomon Schechter School. Ook is hij de zoon van zijn vader, wiens ideeën – Republikeins en racistisch – Gary echoot.

Hellegang

Maar langzaam veranderen er dingen. Zijn ouders werken hard en kopen een heuse eigen woning, er valt geregeld een Isaac Asimov’s Science Fiction Magazine in de bus, wat Gary stimuleert tot schrijven, de eenzaamheid wordt doorbroken door eerste vriendschappen. Wanneer Gary naar de middelbare school gaat in Manhattan, raken de veranderingen in een stroomversnelling. De liefde voor New York verdiept en zijn conservatieve denkbeelden verkruimelen onder druk van de werkelijkheid. ‘Als het racisme verdwenen is blijft er een eenzame leegte achter. Ik heb zo lang niet Russisch willen zijn, maar nu, zonder het door woede aangewakkerde rechts-extremisme, ben ik écht niet Russisch meer.’ Vervolgens: Oberlin College, een eerste vriendinnetje, lof van een schrijfdocent, kritiek van een andere, en ja, heel veel blowen, drinken.

Er is veel herkenbaar in deze delen van het boek – niet alleen de popculturele opsmuk van een tijd waarin ik ook zelf opgroeide, maar vooral de rol die schrijven speelt om je een weg te banen door het sociale mijnenveld van de vijandige wereld. ‘Ik schrijf omdat er niets vreugdevollers is dan schrijven, zelfs als dat schrijven verwrongen is en vervuld van haat, de zelfhaat die schrijven niet alleen mogelijk maar ook noodzakelijk maakt.’ En even later: ‘Ik probeer wanhopig een geschiedenis, een verleden te hebben.’

Ja, identiteit maak je gedeeltelijk met je handen.

In de worsteling met zichzelf (én zijn vader) zit de rijkdom van dit boek. Maar helemaal gelukt is Kleine mislukkeling dus niet. Het curieuze is dat in zekere zin al in een ver verleden de kwalen hem zijn aangezegd door een docente, ‘een discipel van de goeroe Gordon Lish, de redacteur die beroemd is vanwege het redigeren van Raymond Carver.’ Lish snoeide met gemak de helft uit Carvers verhalen, op zoek naar die gebalde, uitgebeende, suggestieve stijl. De docente retourneert Shteyngarts verhalen met de vernietigende opmerking dat ze wel zou weten wat Lish ervan zou vinden. Na een kortstondige poging zich aan de methode-Lish te conformeren, heeft Shteyngart uiteindelijk zijn eigen pad en zijn eigen stem gekozen, resulterend in romans als Supertriest waargebeurd liefdesverhaal (2010). Die keuze valt te prijzen, maar helemaal ongelijk had de docente niet, want juist aan strengere (zelf)redactie ontbreekt het in Kleine mislukkeling. Waardoor ik het dichtsloeg met dit gevoel: zonde, er zit een goed boek verstopt in deze half mislukte autobiografie.