Reis langs ufo’s en commu-kubussen

In voormalige Oostbloklanden wemelt het van de materiële sporen van het communisme. Niet alleen de Plattenbauflats, maar ook kolengraafmachines en beeldhouwwerken, zo blijkt uit een originele reisgids.

Monument voor de revolutie in Podgaric, Kroatië: vage symboliek is beter dan eenduidige Foto Panoramio

Overal op het Poolse platteland staan commu-kubussen. Het zijn een soort eengezinsflatjes die in de communistische tijd zijn gebouwd. Ze bestaan uit twee verdiepingen van ongeveer acht bij acht meter boven op een souterrain. Ramen, deuren en daken zijn dezelfde als die van de beruchte Plattenbauflats, de geheel uit geprefabriceerde onderdelen opgetrokken woondozen in het voormalige Oostblok.

Je zou denken dat de kostka PRLowska’s, zoals de commu-kubussen in Polen heten, staatswoningen voor boeren waren. De opheffing van de tegenstelling tussen stad en platteland was tenslotte een belangrijk onderdeel van de communistische ideologie. Vooral in Roemenië maakte het regime van Ceausescu hier veel werk van. Daar werden in de dorpen grote Plattenbauflats neergezet waar de landarbeiders moesten wonen. Maar, zo blijkt uit het lemma ‘Het blokje van de boer’ in Het Oostblokboek. Een reis langs de sporen van het communistische verleden, in Polen waren het de boeren zelf die de commu-kubussen bouwden. In het communistische Polen werd de collectivisatie van de landbouw niet zo ver doorgedreven als in de Sovjet-Unie en bereikten veel zelfstandig gebleven boeren een zekere welstand. Maar de Poolse boer ‘wilde niet onderdoen voor de familie die naar de stad was vertrokken’, schrijft Ekke Overbeek in Het Oostblokboek. En dus bouwde hij van dezelfde onderdelen als die van de Plattenbauflats in de grote steden zijn eigen nieuwe, moderne huis. ‘Via deze omweg realiseerde de vrije markt [...] het opheffen van het verschil tussen stad en platteland. Als de boer niet naar de flat kwam, kwam de flat dus wel naar de boer.’

De commu-kubus is een van de vele verrassende ‘sporen van het communistische verleden’ in Het Oostblokboek waaraan zestien auteurs rijk geïllustreerde bijdragen hebben geleverd. Natuurlijk staan er ook de onontkoombare Oostblokrelicten in als de metrostations in Moskou en de gigantische ‘moederbeelden’ in Kiev en Volgograd. Maar minder bekende en onverwachte reisbestemmingen overheersen, zoals de imposante kolengraafmachines die in het Oost-Duitse ‘Ferropolis’ als dinosaurussen uit een voorgoed voorbij verleden bij elkaar staan.

Van alle voormalige Oostbloklanden hebben de in Oost-Europa gespecialiseerde journalisten Hellen Kooijman en Guido van Eijck ‘sporen’ van het verdwenen communisme bijeengebracht. De lemma’s worden afgewisseld met langere essays over bijvoorbeeld het socialistisch realisme, Plattenbau, de Oostblokkeuken, gevangenissen en ‘ufo’s’. Met ‘ufo’s’ worden de talrijke vreemdsoortige oorlogs- en revolutiemonumenten bedoeld die in de jaren zestig en zeventig in Joegoslavië zijn neergezet. Vaak zijn het krankzinnige sculpturen van beton die op bloemen of opengevouwen handen lijken. De reden van de rare kolossen is dat al te eenduidige sculpturen in het verdeelde Joegoslavië voor ruzie zouden zorgen tussen bijvoorbeeld Serviërs en Kroaten, legt Joost van Egmond uit. ‘Meerduidigheid en abstractie waren juist een kracht. Artiesten mochten daarom hun fantasie de vrije loop laten en het werd nog gebouwd ook.’