Pak uw beitel en probeer weer eens te ciseleren

De luchtige toonzetting en de heldere taal is er na vijf dichtbundels nog steeds. Dit keer gaat het om ziekte, dood, kortom terminale schrikbeelden, maar toch zonder veel drama.

Foto Thinkstock

Vrouwkje Tuinman publiceerde sinds 2004 vijf dichtbundels. Door critici werd haar werk geprezen om de onopgesmukte, heldere taal en de licht-ironische stijl. Daarbij toonde de dichter een scherp oog voor het tragikomische, terwijl haar thematiek toch allerminst verschrikkingen ontweek.

In haar recente bundel, Sanatorium, zijn deze kwalificaties nog even toepasselijk. In ruim veertig gedichten verkent ze de menselijke verhouding tot het eigen lichaam, vooral in periodes dat het daar niet goed mee gaat. Ziekte en dood, en vooral ook de angst daarvoor, zijn onderwerp van korte bespiegelingen. Opmerkelijk is de laconieke toon daarvan. Die breekt vaak open in slotregels, zoals ‘Het is allemaal om het even’, ‘Daarna, dat zien we dan wel weer’ en, in het titelgedicht, ‘Degene die als eerste / op de hulpknop drukt is af’.

Dit speelse element heeft een bevrijdende werking, maar werkt ook als een paracetamolletje tegen diepere beleving. Er is geen drama, en wanneer dat in aantocht lijkt wordt het fluks gerelativeerd. De dichter creëert van vers tot vers steeds nieuwe tovercirkels, maar stapt niet in de kring. Kenmerkend voor die houding zijn de volgende regels uit het gedicht ‘Jubileum’: ‘Ik hoor niet op te schrijven dat / mijn hart breekt, want dat is geen poëzie. / Mijn hart hoort trouwens niet te breken.

Brak er maar eens hart, dacht ik toen ik dit las. Zonder heuse dramatiek is Sanatorium niet meer dan een luchtige staalkaart. Een gedegen, vlot geformuleerde catalogus, dat wel – maar weinig beklijvend. Je kunt de cruciale momenten in het doodgaan dat leven heet ook anders vastleggen. Gerrit Achterberg deed dat, Ida Gerhardt ook en, recentelijk, Hester Knibbe. Vlotte poëzie was niet hun streven – daarvoor is hun taal te gebeiteld en breekt er te dikwijls een hart in hun verzen.

Vrouwkje Tuinman schrijft misschien meer voor publiek dan voor de eeuwigheid. Haar luchtige toonzetting noodt ook tot lezen. Zeker als het over niet echt ernstige onderwerpen gaat, zoals in ‘Goudvis’.

Alles bij elkaar ben ik erop vooruit gegaan.

Ik zie de mensen niet meer rond vervormd,

maar discreet van onderaf. Ik ben al twintig

centimeter groter dan toen ik ooit de gracht

werd ingegooid. Eerst leek het of ik

rondjes zwom. Later begreep ik: alle jaren

lijken op elkaar. De trillingen van muziek,

de waterfietsen met hun trage raderen,

het schip dat met elk stuk vuilnis dieper zakt.

Tussen alle recreatie drijft soms iemand

die niet meer beweegt. Daar proef ik dan

voorzichtig van. Ik ben te ver om om te keren.

Dit is een prettig, aansprekelijk gedicht. Bij eindredactie zou ik wel de laatste zin hebben geschrapt, Verdichting is ook niet de kracht van Tuinmans poëzie. Daarvoor staan haar teksten nog te dicht bij het notitieboekje. En daarmee verwoord ik een bezwaar dat veel recente dichtbundels oproepen. De beitel verdween uit de gereedschapskist van de dichter, dus wordt er niet meer geciseleerd. Dat is jammer, want zoals Tuinman haar tandarts in ‘Droomuitleg’ laat zeggen: ‘Mijn gebit zou nog perfecter zijn als het recht stond’.

Hoeveel perfectie moet je willen? Misschien is de rauwe, noterende vorm waarvoor Tuinman in haar poëzie kiest wel de beste voor de thematiek van Sanatorium. Je kunt een gedicht immers ook dood ciseleren, en levendigheid is nu juist de kracht van deze bundel. Relativerende luchthartigheid blijkt bij Tuinman ook niet per definitie blijmoedig. Ze kan ook wrang zijn, zoals in het gedicht ‘Monddood’

Wil meneer Fontijn nog leven?

Nee heb je, ja kun je niet krijgen

want ja kan hij niet zeggen.

Laat staan nee. Meneer Fontijn

kan niet meer schrijven. Zijn ogen

kunnen ons wel slaan. Zijn handen

wringen boze cirkels op het blad.

Blije cirkels, zeggen wij. Ja heb je.

Wat een mooi schilderij,

meneer Fontijn, wat goed van u.

Wilt u misschien een glaasje wijn?

Zulke terminale schrikbeelden zijn ook elders in de bundel verwoord. Niet altijd even raak, maar dat maakt lezing van Sanatorium niet tot een minder avontuur van herkenning. Het lijkt ook verstandig rekening te houden met de leeftijd van de dichter. Vrouwkje Tuinman is veertig. Op die leeftijd kijk je minder absoluut naar de levensloop en het einde dan Ida Gerhardt deed toen ze tachtig was.