Met dank aan grenswachten die afzagen van bevelen

Trabanten op de net geopende ‘Spionnenbrug’, de Glienicker Brücke, in Berlijn, november 1989 Foto Benoit Gysembergh/Paris Match via Getty Images

Het is verleidelijk om de val van de Muur als onvermijdelijk te beschouwen, een schakel in de desintegratie van de Sovjetinvloedssfeer in Europa. Ook hoef je weinig opmerkelijks te zien in de geweldloze aard ervan. Het Oost-Duitse regime liep tenslotte op zijn eind en Gorbatsjov had al aangegeven gewelddadige interventies af te wijzen.

In The Collapse. The accidental opening of the Berlin Wall toont historica Mary Elise Sarotte aan dat er weinig onvermijdelijks was aan de ontwikkelingen in de DDR in de herfst van 1989. De val van de Muur was niet gepland en werd op 10 november nauwelijks geloofd door de meeste betrokkenen.

De kern van haar boek is een zorgvuldige reconstructie van de ontwikkelingen in de DDR vanaf september, toen de Oost-Duitse leider Erich Honecker vluchtroutes naar het Westen via Tsjechoslowakije en Hongarije voor zijn bevolking afsloot. Er ontwikkelde zich nu een machtsstrijd tussen een groeiende volksbeweging en een incompetente staat die ondanks de vervanging van Honecker door Egon Krenz flexibeler noch effectiever werd.

Sarotte heeft veel archiefonderzoek gedaan, vooral naar de staatsveiligheidsdienst, de Stasi. Haar belangrijkste bronnen zijn echter een aantal hoofdrolspelers – activisten en staatsdienaren. Collapse is daardoor een grondige en uiterst boeiende reconstructie, die weinig heel laat van onvermijdelijkheidstheses of lezingen die Reagan of Gorbatsjov een hoofdrol geven.

De Koude Oorlog en Gorbatsjovs hervormingen horen er natuurlijk bij, benadrukt ze, maar uiteindelijk waren het lokale individuen – vooral in Leipzig en Oost- en West-Berlijn – die door hun keuzes de ontwikkelingen bepaalden. Hoewel hoofdrolspelers aan beide kanten in algemene zin wisten welke kant ze wel of niet op wilden, had niemand tot op de avond van 9 november 1989 de expliciete bedoeling de Muur definitief open te breken.

Zo vertelt Sarotte het verhaal van Gerhard Lauter, een hoge ambtenaar op het ministerie van Binnenlandse Zaken, die begin november een nieuwe ontwerp-reiswet moest opstellen. Dat wetsontwerp, waarmee hij hoopte de DDR te stabiliseren, had hij op 9 november af. Het bood de mogelijkheid om in Berlijn naar het Westen te reizen. Bepaalde voorlopige regelingen zouden meteen van kracht worden. Lauter gaf zijn tekst aan zijn superieuren en ging die avond naar het theater. Toen hij daarvan thuiskwam, meldde zijn zoon: ‘Oh ja, de Muur is vanavond opengegaan.’

Dat het zo snel uit de hand kon lopen, had alles te maken met de chaotische toestand waarin het regime zich inmiddels bevond. Lauters wettekst bleek in de middag van 9 november door niemand goed gelezen (maar wel door het Centraal Comité goedgekeurd), nog het minst door politbureaulid Schabowski. Die laatste moest aan het begin van de avond wel de internationale pers te woord staan. Toen hij stotterend over onmiddellijke reismogelijkheden, ook in Berlijn, sprak, roken duizenden Oost-Duitse activisten hun kans. Meteen trokken ze naar grensdoorgangen in de Muur, bijvoorbeeld in de Bornholmerstrasse, waar grenswachten als Harald Jäger, aan hun lot overgelaten door hun superieuren, zelf moesten beslissen hoe te handelen.

Jägers verhaal laat zien hoe het vaak van individuen als deze loyale officier afhing of er in crisissituaties geschoten zou worden. Geconfronteerd met een vasthoudende, groeiende, geweldloze menigte, en steeds bozer over de incompetente staat die hij sinds de jaren zestig had gediend, besloot hij om half twaalf de hekken open te zetten.

Bij de massademonstratie in Leipzig op 9 oktober gebeurde iets dergelijks. In een sterk hoofdstuk over die stad laat Sarotte zien dat het voornamelijk te danken was aan de plaatselijke partijsecretaris Helmut Hackenberg dat duizenden politiemannen en soldaten hun wapens niet gebruikten. Als Hackenberg een paar minuten langer op instructies uit Berlijn had gewacht, zou het volgens Sarotte waarschijnlijk te laat zijn geweest. Officieren op straat waren al begonnen hun bevel om de demonstratie tegen te houden uit te voeren.

De hoofdstukken over Leipzig en Berlijn zijn spannend dankzij de beschrijving van de rol van dissidenten, vooral van hen die in de jaren tachtig aan de wieg stonden van de maandaggebedsdiensten in de Nikolaikerk in Leipzig. Die diensten liepen uit op een beweging voor vreedzame actie, waarbij andere burgers zich in 1989 aansloten. Uitvoerig aan bod komen ook Aram Radomski en Siegbert Schefke, leden van het netwerk geleid door Ronald Jahn dat op 9 oktober in het geheim opgenomen filmbeelden uit Leipzig naar het Westen smokkelde. Toen de beelden van de massale, vreedzame demonstratie overal op televisie verschenen, had het regime het initiatief verloren.

Ook in de Bornholmerstrasse stonden op 9 november Radomski en Schefke vooraan. Met hun geweldloze, onverzettelijke opstelling belichaamden ze de morele superioriteit van de Oost-Duitse volksbeweging over het regime. Dat was gebeurd in een snel veranderende context – in Duitsland en Europa. Maar die omstandigheden alleen waren niet toereikend voor de vreedzame val van de Muur.