Kijk even mee in het Sovjetbrein

In relatieve stilte klom de Wit-Russische schrijfster Svetlana Alexijevitsj op tot Nobelprijskandidaat. En terecht, zo blijkt uit de door haar opgetekende, aangrijpende levensverhalen uit de twintig jaar na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie.

Moskovieten in de rij bij een fruitstal in de buurt van het Kremlin, 1997 Foto Peter Turnley/Corbis/HH

De Wit-Russische schrijfster Svetlana Alexijevitsj is een pionier in een literair genre, waarin uiteenlopende mensen een voor een hun levensverhaal vertellen. Ze kiest voor die vorm, omdat ze iets wil verwoorden dat je niet kunt verzinnen, zo absurd en onvoorstelbaar is het. De stemmen die ze laat klinken vormen een literaire kroniek van een spookwereld die vastgeroest zit in een gewelddadig verleden.

In haar dankwoord voor de Vredesprijs van de Duitse Boekhandel, die haar in 2013 werd toegekend, zei Alexijevitsj (Ivano-Frankivsk, 1949) het volgende over die stemmen: ‘Precies daar, in de warme menselijke stem, in de levendige weerspiegeling van het verleden, verbergt zich de oorspronkelijke vreugde en openbaart zich de onafwendbare tragiek van het leven, zijn chaos en hartstocht, zijn unieke karakter en onbegrijpelijkheid. Alles is echt.’

Als een stem zo’n verhaal heeft verteld, resteert bij Alexijevitsj het Russische lijden, ‘onze gave en onze vloek’, zoals de schrijfster het noemt. Ze heeft dat lijden dan ontdaan van alle dramatische poespas, alsof ze een zwaarbeladen begrip uitkleedt om het in zijn wrede zuiverheid aan haar lezers te tonen. Op die manier weet ze de ziel van een heel volk bloot te leggen en kun je als lezer dat volk slechts collectief geestesziek of zwaar getraumatiseerd noemen.

Personages hoeft Alexijevitsj voor haar boeken niet te bedenken, want die plukt ze uit het enorme land waarin ze is opgegroeid: de Sovjet-Unie. Ze interviewt ze, waarna ze hun levensverhalen zorgvuldig rangschikt. Die compositie laat ze soms vergezeld gaan van korte, losse uitspraken van niet met name genoemde personen. Op die manier ontstaat een Russische variant van een Griekse tragedie, compleet met een koor, dat begint zodra een solozanger zijn vaak gruwelijke relaas heeft gedaan. Samen drukken ze het overrompelende leed uit van miljoenen anderen met een vergelijkbaar lot.

Perestrojka

In 1985 verscheen Alexijevitsj’ eerste boek: De oorlog heeft geen vrouwelijk gezicht, waarin gewone Sovjetburgers over hun ontberingen in de Tweede Wereldoorlog vertellen. Aanvankelijk kwam het manuscript niet door de censuur, maar tijdens de perestrojka van Gorbatsjov werd die hindernis weggenomen en vlogen twee miljoen exemplaren over de toonbank.

In hetzelfde jaar volgde haar tweede boek: De laatste getuigen. Kinderen in de Tweede Wereldoorlog. In 1989 kwam ze met Zinkjongens. Sovjetstemmen uit de oorlog in Afghanistan, en vier jaar later publiceerde ze Betoverd door de dood, waarin ze de golf geslaagde en mislukte zelfmoorden in kaart bracht tijdens de ineenstorting van de Sovjet-Unie.

In 1997 verscheen het boek dat haar in het Westen een gezicht gaf en dat in het Nederlands werd vertaald als Wij houden van Tsjernobyl. En nu is er godzijdank de vertaling van haar magnum opus uit 2013: Het einde van de rode mens. Leven op de puinhopen van de Sovjet-Unie.

De zes boeken van Aleksijevitsj, die in Wit-Rusland op de zwarte lijst staan maar in dertig talen zijn verschenen, kun je ook als afzonderlijke hoofdstukken zien van wat ze zelf een ‘Rode Encyclopedie’ noemt. Het einde van de rode mens vormt daarin de apocalyptische finale, waarvoor ze wereldwijd geprezen wordt. Niet voor niets wordt Alexijevitsj al jaren getipt voor de Nobelprijs voor Literatuur.

Je kunt niet om dit imposante boek heen als je Poetin en zijn 140 miljoen onderdanen wilt begrijpen. Want nergens is de geschiedenis in de twintigste eeuw zo bloedig tekeer gegaan als op het grondgebied van de voormalige Sovjet-Unie.

Alexijevitsj laat dat zien aan de hand van de getuigenissen van enkelingen, jong en oud, die de revolutie van 1917, de Stalin-repressie van de jaren dertig, de goelag, de Tweede Wereldoorlog, de perestrojka, de mislukte coup van augustus 1991 tegen Gorbatsjov, de chaos onder Jeltsin, en de massaprotesten tegen Poetin in 2011 hebben meegemaakt. Door op hen in te zoomen in de jaren 1991-2012, kruip je in hun hoofden en besef je wat een warboel het daar na zeventig jaar communistische indoctrinatie moet zijn en wat een onbegrip velen hebben voor de nieuwe, postcommunistische werkelijkheid.

Beulen

Volgens Alexijevitsj is bijna iedereen die in de Sovjet-Unie volwassen werd getekend door het credo boven de poort van het strafkamp op de Solovjetski-eilanden in de Witte Zee: ‘Met ijzeren hand dwingen wij de mens tot geluk’. Of ze nu slachtoffers of beulen zijn, meestal geloofden ze in het socialisme dat een betere wereld zou realiseren, ook al ging dat ten koste van het leven van je geliefden. Zo zegt een omaatje over haar man die onder Stalin is gefusilleerd: ‘Eigen schuld, hij kon zijn mond niet houden.’

De beulen vermoordden hun slachtoffers zonder in gewetensnood te raken, want voor Stalin deden ze alles. Een van hen veegde tijdens een slachtpartij zelfs het bloed van zijn slachtoffers af aan zijn haar. Zo’n detail is typerend voor Alexijevitsj’ boeken, omdat het de idiotie van dat routineuze moorden onderstreept.

Veel van de door Alexijevitsj opgevoerde mensen sudderen in hun rode verleden. Ze zijn homines sovietici, Sovjetmensen. Zij lopen tegenwoordig massaal achter Poetin aan, omdat hij hun iets van de vroegere glorie van hun land lijkt te willen teruggeven. In hem herkennen ze de harde hand, die hun land in hun ogen nodig heeft, omdat anders de anarchie uitbreekt, terwijl ze niet zien dat die anarchie er allang is. De cynici onder hen noemen zich Sovoks, Sovjetsukkels, omdat ze vasthouden aan dat communistische verleden. Het is alsof ze van een andere planeet komen, zo gevormd en misvormd zijn ze door het communisme en het daarmee gepaard gaande geweld. En toch krijg je begrip voor hun houding als je al die verhalen leest. En daarmee bekruipt je meteen de wanhoop over de toekomst van Rusland, omdat je beseft dat zo’n groot deel van de bevolking zich niet kan aanpassen aan de nieuwe werkelijkheid.

Sovjetsukkel

Het einde van de rode mens begint met het hoofdstuk ‘Notities van een deelneemster’, een zelfbenoemde Sovjetsukkel, waarin je al gauw Alexijevitsj zelf herkent. Ze bekent tijdens het opschrijven van de verhalen van haar hoofdpersonen steeds de woorden ‘schieten’, ‘liquideren’, ‘fusilleren’, ‘opruimen’, ‘arrestatie’, ‘emigratie’ te horen, of het nu over arbeiders gaat die niets begrijpen van de vrijheid van meningsuiting waarin ineens verschillende waarheden dan alleen de socialistische bestaan, of over de intelligentsia die er niet in slaagt om onder het nieuwe wilde kapitalisme geld te verdienen.

Zodra Alexijevitsj het over ‘oorlogsmensen’ heeft, schrijft ze: ‘Als we al niet vochten, dan maakten we ons klaar voor de oorlog. We leefden nooit anders. Vandaar die oorlogspsychologie.’ Die instelling spiegelt ze aan het Rusland van nu, waarin die oorlogsstemming door Poetin opnieuw wordt aangewakkerd.

Hierna volgt een hoofdstuk ‘Uit straatlawaai en keukengesprekken (1991-2001)’, waarin een spectrum aan meningen vóór en tegen de nieuwe tijd wordt gegeven. Volgens de een was de Sovjet-Unie in haar nadagen een landje vol naïeve Oblomovs, waar niets te koop was en niemand werkte, maar waar wel veel werd gedronken en geouwehoerd. En ook al keken volgens een ander velen onder Gorbatsjov uit naar de beloofde vrijheid, waarvan ze zich overigens niets konden voorstellen, bij hun ouders bleef de angst bestaan dat er na die periode van liberalisering opnieuw een terreur zou volgen. En dan klinkt er ineens in zo’n ‘keuken’: ‘Hoe meer we “Vrijheid!” “Vrijheid!” riepen , hoe minder er in de vitrines lag.’ Weer een ander zegt dat hij in de Sovjet-Unie een goed leven had en dat Gorbatsjov door Amerika werd betaald: ‘Nu heb je worst en bananen. We rollen door de stront en vreten buitenlands. Het vaderland is één grote supermarkt geworden! Maar dat soort vrijheid kan me gestolen worden. Bah! Het volk is tot het diepst vernederd, we zijn slaven.’

In het hoofdstuk ‘Tien verhalen in een rood interieur’ vertelt Jelena Joerevna S., een 49-jarige regionale partijfunctionaris, over haar ideologische bevlogenheid, die ook na het ineenstorten van de Sovjet-Unie onaangetast bleef. Zo kan ze het niet uitstaan dat Lenin en Stalin tijdens Gorbatsjov ineens niet meer deugden: ‘We zijn ineens allemaal misdadigers, al kleeft er aan mijn handen geen druppel bloed.’ Haar vader belandde in de oorlog in de goelag en nam na zijn vrijlating, zes jaar later, niemand iets kwalijk, ‘zo waren de tijden nu eenmaal, vond hij.’ Het heeft iets ontroerends en oprechts, maar verraadt ook de hersenspoeling die veel Sovjetburgers hebben ondergaan.

Dat besef je ook als Alexijevitsj vijftig bladzijden later een andere ‘gelovige’ aan het woord laat, een 59-jarige arts, die nog altijd zwijmelt – ‘Geloof overstijgt verstand’ – in haar herinneringen aan haar communistische jeugd: ‘Het was misschien een gevangenis, maar wel een fijne. We waren eraan gewend…’

Harde cynici

In de tweede helft van dit overweldigende boek kom je nog meer teleurgestelde mensen tegen, wier leven na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie alleen maar verder is ontwricht. Hier confronteert Alexijevitsj je met de meedogenloze realiteit van het hedendaagse Rusland, waarin een politieagente in Tsjetsjenië door haar collega’s wordt vermoord omdat ze niet aan hun orgieën mee wil doen, waarin gedemoraliseerde ex-militairen doelloos rondlopen en verstandige burgers toegeven dat ze de jaren negentig hebben verknoeid, waarin criminele bendes de huizen van naïeve weduwen afpakken en voormalige goelaggevangenen vertellen hoe ze als kind in het kamp al als mens kapot zijn gemaakt, waarin mensen van verschillende etnische afkomst, die voor 1991 vreedzaam samenleefden, elkaar de hersens inslaan, en waarin niemand zijn geboorteland nog lijkt te herkennen. De jongeren onder hen die het wel redden, zijn vaak harde cynici. Het beeld dat oprijst is dat van één groot vat vol lijden, angst, cynisme en frustraties.

En toch zijn er ook enkelen met hoop, zoals de vrouw die zich een ‘bange Sovjettrut’ noemt en sinds december 2011 de straat op gaat om tegen Poetin te demonstreren: ‘Ik leer vrij te zijn. Ik wil niet als een Sovjettrut doodgaan. Ik gooi mijn Sovjetwezen met emmers tegelijk overboord….’ Van zulke mensen zal Rusland het in de toekomst moeten hebben, als het een modern land wil worden. Alexijevitsj voert er in haar boek echter weinig van op. Alsof ze daarmee wil aantonen dat haar hoop mager is en ze voor het ergste vreest.