Horizon

Bepaalde katernen in de krant sla ik over. Niet dat ik ze niet interessant vind, maar je kan niet alles hebben. Datzelfde gevoel heb ik nu ik over de Zuidas loop: dit gedeelte van de stad is voor anderen. Ik geloof niet dat er andere wijken zijn waarbij ik dat zo sterk heb. Ik was de Zuidas ook eigenlijk vergeten, bij Zuid WTC kom ik alleen maar als ik naar dat station moet.

Nu ben ik op weg naar het kantoor van de man van een vriendin om een boek te brengen dat ze om een of andere reden per se vanavond nodig heeft. „Jij woont toch in de buurt van Simons werk”, zei ze die ochtend gestrest. Ik denk dat ze bedoelde: jij bent toch een vage freelancer met tijd. Maar ik vind het prima, even een ommetje, en ik verbreed graag mijn horizon, ook al is die zo dichtbij.

Hier wordt echt hard gewerkt, dat voel je aan alles. Hier wordt geld gemaakt. Het is een pav- lovassociatie bij die hoge gebouwen met namen van multinationals erop, maar ik meen het zelfs te kunnen opmaken uit het beperkte assortiment van de plaatselijke Etos. Zo verspil je geen tijd met eindeloze keuzes. Tijd is geld.

Aangezien ik wat vroeg ben en het me ongepast lijkt om eerder aan te komen bij een druk bezette headhunter, slenter ik zo maar even wat rond. Voor de grap probeer ik me voor te stellen dat ik hier werk. Dat ik over het Zuidplein ren, onderweg naar een afspraak met een van mijn cliënten – ik vind ‘cliënten’ overigens best een goeie naam voor schrijvers – en dat ik ondertussen nog even een conference call heb met Taiwan en Rusland om een ‘organogrammetje’ door te nemen. Het past even slecht bij me als een op maat gemaakt mantelpak.

Ik zit vrij lang in een lift. „Welkom”, zegt een receptioniste hartelijk als de lift open gaat. Het is fijn dat iemand dat even zo expliciet zegt. Door een glazen deur groeten Simon en ik elkaar. Hij wijst op z’n telefoon, doet dan met z’n handen een kwakende eendensnavel na en lacht. Ik begrijp het en wacht geduldig. Het is hier fijn en mooi. Rustig, zou ik zelfs willen zeggen. Maar dat is ongetwijfeld schijn.

‘Hoi!”, roept hij uitgelaten wanneer hij heeft opgehangen en de deur opent. Het galmt. „Kom verder, wil je even snel mijn kantoor zien?” Natuurlijk wil ik dat. Alle tijd.

„Hier zit ik dan dus.” Met één zwaaigebaar omvat hij zijn designkantoor met glazen wanden alsmede het uitzicht op de stad dat rijkt tot aan de zee. Ik herhaal: een kantoor in Amsterdam met uitzicht op zee. Een klein strookje in de verte, maar toch. Ik kan het weer niet laten om me voor te stellen dat dit mijn bureau is, mijn uitzicht. Ik zou dan nooit verlegen zitten om een columnonderwerp. Terwijl Simon weer even „een belletje pleegt” zie ik de stad zoals ik die nooit eerder zag; vanaf duizelingwekkende hoogte. Mensen zien eruit als werkmieren. Ik zie het Hilton en het Okura Hotel, de Dam en het Slotervaartziekenhuis. Ik zie een leven dat ik nooit zal leiden.