Column

Hoestmachine

Het sniffen, ophalen, niezen, kuchen en hoesten begon me pas na een minuut of tien op te vallen. Sommige geluiden zijn zo vertrouwd dat ze moeite hebben tot je door te dringen. Als dat eenmaal gelukt is, laten ze je niet meer los.

We zaten in de intercity van Amsterdam naar Amersfoort. Aan de andere kant van het gangpad zat een jonge vrouw aan het raam. Ze was onopvallend gekleed in een blauwe spijkerbroek en een donker truitje. Ze zat nogal onderuitgezakt terwijl ze afwezig naar buiten staarde. Haar lichaam was alleen actief als hoestmachine, een onophoudelijk borrelend en overkokend apparaat dat autonoom zijn plicht vervulde.

Ik was blij dat ik op het perron de verleiding had weerstaan zo’n meestal niet al te smakelijk saucijzenbroodje te kopen. Ongezond eten hoort voor mij een beetje bij reizen per trein, ik weet niet waarom. Maar een combinatie met de luchtwegblues van deze vrouw zou ik culinair niet doorstaan hebben.

Het lukte me zelfs niet meer mijn krant uit te lezen. Het gesnotter werd een tiran die met harde hand heerste. Wie niet wilde luisteren, moest voelen - een akelig gevoel met begin van kippenvel. Zou niemand anders er last van hebben? De meeste reizigers zaten enkele banken verderop. Moest ik opstaan en me bij hen voegen? Mijn ervaring is dat het zelden helpt. Je vlucht weg voor iemand met een luidruchtige koptelefoon en je eindigt tegenover twee oudere dames die het Libelle Nieuwscafé met elkaar nabeschouwen.

Eigenlijk moest je zo’n vrouw erop wijzen dat ze een niet geringe besmettingshaard vormde. Ik had net op internet een videofilmpje gezien over besmetting in een vliegtuig. Een computersimulatie toonde de gevolgen van een niesbui tijdens de vlucht. Je zag de besmettelijke ziektekiemen in een wolk van bonte stipjes oprijzen boven de niezer (nieuw woord) en in gedeelten neerdalen op de passagiers in zijn directe omgeving en later ook op stoelen verderop.

Het had iets huiveringwekkends. En ook iets zeer smerigs. Weliswaar stond er ter geruststelling bij vermeld dat het niet zo erg vaak gebeurde, maar toch zal ik nooit meer mijn onbezorgde zelf zijn als ik een snipverkouden passagier in mijn buurt opmerk. En gold voor treinen niet hetzelfde als voor vliegtuigen? Je zat er, zeker in de tweede klasse, even dicht op elkaar.

Ik keek opzij. De vrouw was verder onderuitgezakt en keek nu alleen nog wezenloos naar het plafond van de trein. Ze blies en blafte. Ze hoorde niet hier, maar in een bed met een hete waterzak. Moest ik haar dat niet zeggen? Nee!

Toen viel me op dat ze geen enkele poging deed zich te bevrijden van het opdringende vocht. Nu ben ik geen voorstander van al te radicale oplossingen – dat moeten we aan goedbetaalde profvoetballers overlaten. Deze vrouw zou meer gebaat zijn met een paar zakdoeken of een pakje tissues. Zou ze zoiets niet meegenomen hebben? Ik durfde het niet goed te vragen.

Had ik het trouwens zelf wél bij me? Ik pakte mijn rugzak uit het rek en zocht in de bijzakjes. Ja! Een gaaf pakje witte tissues - „je weet nooit waar het goed voor is”. Hiervoor dus.

We naderden Hilversum, mijn bestemming. De jonge vrouw bleef zitten. Ik stond op en stopte haar met een snel gebaar het pakje toe. Ze keek er even verbaasd naar en nam het toen met een brede glimlach aan. Ze zei niets, maar toen ik doorliep meende ik toch een dankbaar blafje te horen.