Giordano vlucht in gezochte filosofieën

Een echtpaar met een kleuter leidt een onspectaculair bestaan. In zichzelf gekeerd, sensatie-vermijdend, onvoorziene omstandigheden buitensluitend, zo willen ze zijn. En dat hadden ze voor elkaar, met huishoudster annex kinderjuf ‘Signora A.’. Het paar klampt zich aan haar vast. Ze vullen haar in met zichzelf, tot en met haar naam – die vervangen ze door een initiaal. Signora A. is de ideale autoriteit voor deze mensen die zich verschuilen in hun onzekerheid. Met ‘krijgshaftige pas’ door hun leven benend, is ze bazig, praktisch en van zichzelf overtuigd – ‘haar onfeilbaarheid was soms zelfs irritant’. Een variatie op oer-nanny Mary Poppins: practically perfect in every way. En dat is het probleem van dit gezin – alles moet perfect zijn. Maar niks is perfect: Mary Poppins krijgt kanker en sterft. En Paolo Giordano beschrijft in zijn kleine roman Het zwart en het zilver de implosie van het huwelijk van haar ‘kinderen’ in reactie op haar dood. Het is een mooi onderwerp: mensen die een ouderwetse moederfiguur in dienst nemen als noodzakelijke ooggetuige van ‘de band die er tussen ons was.’ Om dat op te roepen, bedient Giordano zich van smaakvol geformuleerde litanieën. Die legt hij in de mond van de inerte echtgenoot, opdat die uiteindelijk inziet dat hij en zijn vrouw geen kind meer mogen zijn.

Met zijn debuut De eenzaamheid van de priemgetallen (2008) manifesteerde Giordano zich als de auteur die als geen ander de bedwongen emoties van personages weet op te roepen. Afstandelijk en mathematisch formulerend versterkte hij juist de indruk van personages die mentaal op knappen stonden. In Priemgetallen werkte dat feilloos. Het drama was daar zo groot en uitgewaaierd dat het pathos op de loer lag en dat werd bedwongen met die precieuze zinnen. Met Het zwart en het zilver maakt hij het zichzelf moeilijker. Ook hier is iedereen alleen, zelfs het jonge kind. Het maximale dat je kunt doen voor wie je liefhebt is die ander tot steun zijn, ook al begrijp je niets van hem of haar. Meer zit er niet in.

Maar dit zijn, anders dan in Priemgetallen, onbijzondere mensen. Dat kan, dat is literair gezien wel zo spannend. Maar hun besmuikte stilstand ontaardt door die pijnlijk beheerste stijl in opgeblazen drama. Giordano lijkt dat niet in de gaten te hebben en gooit er schepjes bovenop, met gezochte wetenschappelijke terminologie en levensfilosofietjes als: ‘elke periode [pretendeert] hoogmoedig het begin van het einde te zijn.’

De personages slepen de lezer mee in hun verdriet juist doordat ze dat gewoon ontkennen. Maar groots in hun onvermogen worden ze alleen in theorie – omdat Giordano dat zegt. Niet omdat hij het laat voelen.