De verticale Muur werd horizontaal

De Muur is niet ‘gevallen’, schrijft Peter Schneider in zijn biografie van nieuw Berlijn. Bouwkranen sloegen er gaten in. En toen kwamen de muurspechten. Deze lofzang op het nieuwe Berlijn biedt veel anekdotes.

De als kasteel vermomde Flakturm in Berlijn, eerst een club (Der Bunker), nu een museum (Art Bunker) Noshe Andreas Gehrke/Realarchitektur

Nadat de Berlijnse Muur zich in de nacht van 9 op 10 november 1989 opende, gingen ‘muurspechten’ hem te lijf. Maar anders dan de mythe wil, hebben de mannen en vrouwen met beitels en hamers slechts een klein deel van de Muur afgebroken. Het beton van het grootste en duurste bouwwerk van de Duitse Democratische Republiek (DDR), bleek te hard voor de muurspechten, schrijft de Duitse journalist en schrijver Peter Schneider (1940) in Berlijn. Biografie van een stad. Meer dan kleine brokken wisten ze er niet af te bikken.

Van een val van de Muur is volgens Schneider dan ook geen sprake: ‘De Muur viel niet op 9 november en de daaropvolgende dagen: eerst werden met bouwkranen een paar gaten in de muur gemaakt en vervolgens hebben sloopbedrijven de Muur deel voor deel ontmanteld.’

De kleine brokstukken van de muurspechten zijn wel over de hele wereld verspreid geraakt. De CIA in Washington en koning Taufaähau Tupou IV van Tonga hebben een brok Muur, evenals Ljiljana Hennesy. Deze erfgename van de gelijknamige cognacfabrikant kocht een fragment op een veiling in Monte Carlo in 1990. Maar het grootste deel van de Muur is hergebruikt in de nieuwe snelwegen in Oost-Duitsland, schrijft Schneider. Zo werd de verticale Muur horizontaal.

Anekdotes

Schneider, die onder meer het scenario voor de film Messer im Kopf (1979) en de roman Der Mauerspringer (1982) schreef, heeft in zijn ‘biografie’ van het nieuwe, ongedeelde Berlijn een goed oog voor veelzeggende en absurde anekdotes. Zo meldt hij dat er in 2013 in Berlijn een demonstratie werd gehouden vóór het behoud van de Muur tussen de wijken Friedrichshain en Kreuzberg. Een projectontwikkelaar had een vergunning gekregen om een gat van 20 meter in de 1316 meter lange, met graffiti ondergespoten Muur te slaan om een gepland appartementengebouw beter toegankelijk te maken. ‘Mr. Wowereit, don’t tear down this wall’, riepen de demonstranten de Berlijnse burgemeester toe, een verwijzing naar de beroemde oproep van de Amerikaanse president Reagan aan Sovjetleider Gorbatsjov in 1987: ‘Mr Gorbatchev, tear down this Wall.’ Overigens gaat het bij The East Gallery, zoals de graffitimuur heet, niet om de echte Muur, weet Schneider, maar om de Hintermauer, de tweede muur van een slechtere kwaliteit beton die het DDR-regime liet bouwen als extra hindernis voor burgers die Oost-Berlijn wilden ontvluchten.

Berlijn is een lofzang op het nieuwe, bruisende Berlijn dat na de val van de Muur uitgroeide tot de hipste stad van de wereld. Jongeren uit de hele wereld, onder wie 17.000 Israëliërs, trokken de afgelopen jaren naar de nieuwe Duitse hoofdstad. Ze kwamen niet voor het gerestaureerde Museuminsel in het voormalige Oost-Berlijn, weet Schneider, maar omdat het leven in Berlijn goedkoop is en de vele leegstaande gebouwen staan te wachten op ‘creatievelingen’. Zo was een van de eerste clubs waar Berlijn bekend om werd, Der Bunker, gevestigd in een zogenaamde Flakturm in Oost-Berlijn, een betonnen kasteel met luchtafweergeschut op het dak, dat in de Tweede Wereldoorlog diende als schuilplaats voor Berlijners tijdens geallieerde bombardementen. In 2003 werd de reuzenbunker gekocht door de rijke reclameman Christian Boros, die het verbouwde tot een museum voor zijn kunstcollectie en zelf in een gigantisch penthouse op het dak ging wonen.

Schneider lardeert zijn levendige en met vaart geschreven reportages over de wording van het nieuwe Berlijn met uitstapjes naar de tijd vóór de val van de Muur. Zelf ging hij in 1962 als student vanuit Freiburg naar Berlijn – Duitse studenten in West-Berlijn hoefden niet in militaire dienst. Zes jaar later veranderde de studentenbeweging de ‘alledaagse cultuur’ in Berlijn, schrijft hij: ‘Homo’s gaven plotseling toe dat ze homo waren, vrouwen beweerden dat hun mannen en niet het kapitalisme hun emancipatie verhinderden.’ Over zijn eigen rol in de linkse studentenbeweging, die West-Berlijn in de jaren 1967-’68 op stelten zette, zwijgt Schneider jammer genoeg. Dat hij in die jaren lid werd van een Projektgruppe Elektroindustrie die moest uitmonden in een ‘proletarische partij’, komen we niet te weten.

Geweldsdelicten

Wel wordt in Berlijn duidelijk dat Schneider zijn links-radicale verleden achter zich heeft gelaten. In het hoofdstuk ‘De nieuwe barbarij’ stelt hij vast dat de meeste geweldsdelicten in Berlijn nu worden begaan door jongeren met een islamitische achtergrond. Veel van zijn linkse, ‘politiek correcte’ stadgenoten willen dit niet onder ogen zien, stelt hij vast. ‘Maar als het benoemen van de oorzaken van een kwaad niet meer acceptabel is, ontneemt een maatschappij zichzelf de mogelijkheid om het bestrijden.’

De heftige Architektenstreit die begin jaren negentig losbrandde over de stijl waarin het nieuwe Berlijn moest worden gebouwd, beschrijft hij met sympathie voor conservatieve architecten als Hans Kollhoff. Het verwijt van Daniel Libeskind, de ontwerper van de uitbreiding van het Joods Museum in Berlijn, dat Kollhoffs traditionele, ‘stenen’ architectuur ‘nationaal-socialistisch’ is, vindt hij onzinnig: er is geen verband tussen stijl en politiek.

Ook de in 2012 begonnen herbouw van het Stadtschloss, door tegenstanders bestempeld als een bespottelijke, reactionaire onderneming, wijst hij niet af. Na de oorlog stonden de muren van het koninklijke paleis tenslotte nog overeind. Pas in de jaren vijftig besloten de DDR-autoriteiten het symbool van het besmette Pruisische verleden alsnog met de grond gelijk te maken. ‘Volgens een grimmig Berlijns gezegde is de stad twee keer verwoest: de eerste keer door geallieerde bommenwerpers, de tweede keer door de sloopwoede van de Berlijnse stadsplanners.’ En de tweede verwoesting was nog grondiger dan de eerste, voegt Schneider hier aan toe.