De pluizen in het hoofd van Gorbatsjov

Over de oorzaak van de onttakeling van de Sovjet-Unie en de besluitvorming in de DDR op 9 november 1989, de dag waarop de Muur viel, bestaan tal van misverstanden. De mythes worden in nieuwe, soms heel spannende historische studies ontrafeld.

Trabanten op de net geopende ‘Spionnenbrug’, de Glienicker Brücke, in Berlijn, november 1989 Foto Benoit Gysembergh/Paris Match via Getty Images

De val van de Muur werd vijfentwintig jaar geleden niet overal als een bevrijding begroet. In Moskou zette men knarsetandend een dapper gezicht op, alsof de ommekeer zo bedoeld was. Met vertraging heeft het einde van de Koude Oorlog dit jaar alsnog een Russische tegenreactie opgeroepen. De poging om na de annexatie van de Krim met een war by proxy Oekraïne tot satellietstaat te degraderen, is een eerste stap om iets terug te halen van het sinds 1989 verloren Sovjetterrein. Poetins Novo Rossia is geïnspireerd door (vrij naar Mussolini) Rossia Irredenta.

En dan te bedenken dat ‘de grootste geopolitieke catastrofe van de 20ste eeuw’ (zoals Poetin het noemde) een product van eigen makelij was. De onttakeling van het Sovjetimperium was tussen 1989 en ’91 het werk van Michail Gorbatsjov, toen de voorganger van Poetin als chef van het machtscentrum in Moskou. Waarom deed hij wat hij heeft gedaan? Waarom nam hij de maatregelen die aan het communistische rijk en de Koude Oorlog een einde maakten? De verdeeldheid over het antwoord op die vraag is, zo blijkt uit drie recente boeken, na een kwart eeuw onverminderd groot.

Het meest overzichtelijke standpunt is te vinden in Reagan at Reykjavik van Kenneth Adelman, die als directeur Wapenbeheersing in de jaren tachtig een naaste medewerker was van de Amerikaanse president. Hij sluit aan bij een conservatieve stroming in de geschiedschrijving die het einde van de Koude Oorlog op het conto schrijft van Reagan: deze krachtdadige leider zette zijn opponent Gorbatsjov met een uitbreiding van het Amerikaanse wapenarsenaal dermate onder druk, dat deze de handdoek in de ring gooide. Hoewel Adelman met deze opvatting weinig nieuws brengt, is zijn boek toch boeiend. Het biedt een vaak letterlijke weergave van de discussie tussen de twee opponenten tijdens de top van Reykjavik in 1986. Gorbatsjov deed er spectaculaire voorstellen die op den duur tot de liquidatie van alle kernwapens moesten leiden. Een overeenkomst bleef uit doordat Reagan vasthield aan het in 1983 gelanceerde Strategische Defensie Initiatief (SDI).

Ruimteschild

Dit ruimteschildproject tegen kernraketten was volgens Adelman technisch onhaalbaar. Toch werd het een politieke realiteit doordat Reagan het niet wilde opgeven en Gorbatsjov dit opvatte als de aankondiging van een nieuwe ronde in een wapenwedloop die boven zijn macht ging. Toen de Sovjetleider zijn opponent niet kon overreden om het op een laag pitje te zetten, trok hij volgens Adelman de conclusie dat het roer om moest.

James Graham Wilson verzet zich in The Triumph of Improvisation krachtig tegen die zienswijze. Wilson is als historicus verbonden aan het Amerikaanse State Department, maar zijn boek is een persoonlijke visie op het tijdperk-Gorbatsjov. De Sovjetleider, zo schrijft hij, kondigde zijn ingrijpende hervormingen vooral af onder dwang van binnenlandse problemen. De economische stagnatie die niets heel liet van het oorspronkelijke idee dat het communisme het kapitalisme voorbij zou streven, was de belangrijkste oorzaak van een ideologische impasse. De dalende olieprijs, voor de Sovjet-Unie een belangrijke inkomstenbron, werd in de loop van de jaren tachtig een groot probleem. Opstanden in Afghanistan en Polen, waar de communistische machthebbers zich alleen dankzij Sovjetsteun konden handhaven, waren een politieke en een financiële belasting. Het was tijd, aldus Gorbatsjov, voor ‘nieuw denken’. De wapenwedloop, inclusief SDI, was volgens Wilson bijzaak.

In de discussie over de vraag waarom Gorbatsjov zijn politiek van perestrojka (verbouwing) en glasnost (openheid) afkondigde, is Wilsons standpunt verdedigbaar. Minder goed te volgen is zijn poging om van de Sovjetleider een politieke megaregisseur te maken die weloverwogen een imperium offerde om een nieuwe wereldorde mogelijk te maken.

De titel van Wilsons boek verwijst terecht naar het hoge improvisatiegehalte van Gorbatsjov. Maar triomf? Het resultaat van zijn politiek was niet de gewenste versterking van de Sovjet-Unie, maar een afbraak. En die diende zich niet aan als een nieuwe orde, maar als een wanorde met een – dat was wél Gorbatsjovs verdienste – opmerkelijk vreedzaam karakter.

Heinrich August Winkler, emeritus hoogleraar aan de Berlijnse Humboldt-universiteit, besteedt in Vom Kalten Krieg zum Mauerfall, het derde en voorlaatste deel van zijn monumentale Geschichte des Westens, ruime aandacht aan het einde van de Koude Oorlog. Zijn oordeel over de kwestie of Gorbatsjov onder interne of externe pressie handelde is evenwichtig en samenhangend. SDI, schrijft hij, zette de Sovjet-Unie wel degelijk extra onder druk. Een adequate reactie op het project zou de financiële problemen van Gorbatsjov nog groter maken. Winkler schetst een portret van een leider met grote moed, maar ook met pluizen in zijn hoofd. Het ontbrak Gorbatsjov aan werkelijkheidszin. Glasnost was in zijn ogen het wondermiddel om het verkalkte leninisme tot nieuw leven te wekken. Hij meende de sluizen van de vrijheid te kunnen openen zonder de alleenheerschappij van de communistische partij aan te tasten. Als er binnen de partij ruimte was voor kritiek en discussie, dacht hij, zou niemand zich tegen die partij keren. Daarom besloot Gorbatsjov een andere weg in te slaan dan de Chinese communisten (economische liberalisering in een dictatuur) en koos hij voor een route die neerkwam op democratisering. Toen duidelijk werd welke gevolgen glasnost had voor het heersende bestel, besefte hij dat hij niet meer terug kon zonder zijn machtspositie, die steunde op de hervormers in de partij, op het spel te zetten.

Winkler laat goed zien hoe eind jaren tachtig de binnenlandse ontwikkelingen in de Sovjet-Unie nog beslissend bleven voor de gang van zaken in Oost-Europa. Het essentiële moment was Gorbatsjovs aankondiging in juni 1988 om de Opperste Sovjet te vervangen door een Congres van Volksafgevaardigden dat voor de helft vrij zou worden gekozen. De eerste zitting van dit parlement was een ongekend pandemonium van felle debatten en ongeremde fractievorming. De dictatuur van de partij was duidelijk niet te handhaven.

Juist in deze periode kreeg de vrijheidsdrang in de meest opstandige Oostblokstaten Polen en Hongarije de impuls die tot de ‘fluwelen revolutie’ leidde. Gorbatsjov maakte vervolgens met een paar directe interventies de val van de Muur mogelijk. Zijn staat van dienst, concludeert Winkler, is verwarrend. Hij beging een kapitale vergissing door te denken dat democratie en alleenheerschappij verenigbaar zijn. Maar hij is ook, zeker voor de Midden- en Oost-Europese volkeren die hij vrijheid schonk, een historische figuur van formaat.

Zelfbeheersing

Beleven we tegenwoordig een reprise van de Koude Oorlog? Het antwoord is meer nee dan ja. De Russische rompstaat van Poetin is veel zwakker dan de Sovjet-Unie. De spanningen van het Oost-Westconflict zijn terug, maar vooralsnog minder hevig dan toen. De slagwisseling van economische sancties is minder bedreigend dan de ideologische wedijver en vooral de nucleaire wapenwedloop met de eens zo machtige Sovjet-Unie. Maar de huidige toestand is wel gevaarlijker dan die van voorheen. De Europese stabiliteit van afgebakende invloedssferen is voorgoed verdwenen. De nucleaire risico’s zorgden in de Koude Oorlog voor spanning, maar stimuleerden beide kampen ook tot zelfbeheersing. De verhoudingen zijn sinds 1989 vloeiender en onberekenbaarder geworden. Ze bieden Rusland de ruimte voor een poging om met militair geweld de soevereine buurstaat Oekraïne in het gareel te dwingen.

Het pleidooi van de vooral in Duitsland talrijke ‘realisten’ voor een nieuw machtsevenwicht, dat stabiliteit brengt door Rusland de invloedssfeer te geven die het ambieert, houdt te weinig rekening met de realiteit dat ook de burgers van Oekraïne hun eigen lot willen bepalen. De pro-westerse uitslag van de parlementsverkiezingen op 26 oktober j.l. onderstreept een ambitie die de erfenis is van de periode-Gorbatsjov: de geest van de nationale zelfbeschikking is tot in de meest oostelijke delen van Europa uit de fles. Maar ook Poetin maakt van die ontwikkeling gebruik. Hij werpt zich op als de belangenbehartiger van Russisch-talige minderheden die volgens zijn leugenachtige beweringen de bescherming zoeken van het moederland. De goedkeuring door Gorbatsjov van de annexatie van de Krim laat zien dat Poetin volgens hem op het goede spoor van de zelfbeschikking zit. Gorby heeft nog steeds last van pluizen in zijn hoofd.