Column

De man die blind bleef voor de geschiedenis

Juist nu overal gevierd wordt dat 25 jaar geleden de Berlijnse Muur viel, wil de man die destijds aan het hoofd van de DDR stond zijn kant van het verhaal kwijt. Egon Krenz, in die spannende dagen regeringsleider in Oost-Berlijn, is nog steeds bitter. Hij is een van de verliezers van de geschiedenis en hij weet het. Maar verkroppen kan hij het niet, en begrijpen evenmin.

Vier jaar heeft hij in de gevangenis gezeten – vanwege zijn verantwoordelijkheid voor de dood van vier DDR-burgers die door grenswachten zijn neergeschoten toen ze naar het Westen vluchtten. Zijn verblijf in de cel heeft hem niet milder gemaakt, en ook niet kritisch over zijn verleden of over de dictatuur waarvoor hij zijn hele loopbaan heeft gewerkt.

Maandag hield Krenz, inmiddels 77, in Groningen een toespraak op uitnodiging van het Centre for European Security Studies. Zijn komst was omstreden. „Voor mij is dit zoiets als postuum Seyss-Inquart te vragen hoe hij terugkijkt op de Bezetting”, zei Andreas Blühm, de zelf uit Duitsland afkomstige directeur van het Groninger Museum in het Dagblad van het Noorden. Maar de statige senaatszaal van het Groninger Academiegebouw liep goed vol voor de voormalige communistische leider.

Het werd een onwerkelijke vertoning. Krenz wilde zijn publiek ervan doordringen dat het aan hem en de DDR te danken was dat de val van de Muur niet was uitgelopen op een bloedbad. Maar zijn publiek zag alleen maar een man die niet begreep dat het einde van zijn totalitaire staat voor miljoenen een bevrijding was. Blind voor de geschiedenis.

‘De media zeggen steeds dat de Muur ‘gevallen’ is”, zei Krenz, „alsof het door de Heilige Geest is gebeurd. Maar het was de DDR die had besloten de Muur te openen.” Dat valt niet te ontkennen. Maar het is wel een gotspe om zo alsnog de eer op te eisen voor dit historische keerpunt, als je er jarenlang in allerlei functies alles aan gedaan hebt om het ding overeind te houden en burgers het vluchten te beletten. Pas toen de druk door de massabetogingen overweldigend was geworden, besloot de DDR-leiding de Muur op 10 november deels open te stellen. Door een misverstand zei woordvoerder Schabowski op 9 november, live op tv, dat het besluit met onmiddellijke ingang van kracht was – en toen was het hek van de dam.

Dat op die chaotische avond geen schot is gelost was geen wónder, zei Krenz in Groningen, het was te danken aan de zelfbeheersing van de grenswachten – die nog niet op de hoogte waren van het besluit tot openstelling – en aan decreten die Krenz zelf in de weken daarvoor had uitgevaardigd: er mocht niet geschoten worden als demonstranten door de grens zouden breken. Vijf jaar geleden kreeg Krenz daar in de Frankfurter Allgemeine Zeitung, bepaald geen linkse krant, de erkenning voor. „Waarom werd er niet geschoten? Omdat Krenz het verboden had”, aldus de krant.

Maar dat maakt Krenz niet tot held, en het maakt hem ook niet minder medeplichtig aan de misdaden van de DDR. Hij stond voor die verstikkende staat, die met hele goede redenen op de mestvaalt van de geschiedenis is gedumpt.

Krenz kan zijn gehoor nog steeds kippenvel bezorgen, bleek in Groningen. Bijvoorbeeld toen hij over Erich Honecker, van wie hij jarenlang de rechterhand was, zonder een spier te vertrekken zei: „Honecker was ernstig ziek, we hadden gehoopt op een biologische oplossing” – maar toen dat te lang duurde werd hij afgezet. Kippenvel ook toen hij het schieten op vluchtende DDR-burgers vergeleek met illegale immigranten die nu sterven aan de grenzen van Europa.

Of hij ook ergens spijt van had, werd Krenz gevraagd. „Dat het ons niet gelukt is van de DDR een vrij en open land te maken”, zei hij. Terwijl de DDR, zoals bekend, het zuivere tegendeel was van vrij en open.