Bloedeerlijk afrekenen met mammie

Niet alleen zijn moeder maar ook de schrijver zelf heeft soms monsterlijke trekken. In een ‘memoir’ probeert hij via herinneringen in contact te komen met haar. En dat lukt.

Tekening Paul van der Steen

‘Eerlijk zijn.’ Het staat er drie keer achter elkaar, in het vijfde hoofdstuk van Ik kom terug, de nieuwe roman van Adriaan van Dis. Nu is het de vraag of eerlijkheid een pré is voor een roman. Als het niet zo’n versleten uitdrukking was, dan kom je bij fictie eerder uit bij ‘de waarheid liegen’. In elk geval verwacht je van een verteller meer verbeelding dan eerlijkheid. Als roman valt er dan ook het een aan ander aan te merken op de nieuwe Van Dis: het boek is eenzijdig van perspectief, bij vlagen sentimenteel en het bevat nogal wat clichématige anekdotes, vooral uit Nederlands-Indië.

Maar Ik kom terug is geen roman. Het woord zal op de titelpagina staan omdat uitgevers menen dat het een hogere literaire orde vertegenwoordigt (of een hoge marketingorde, die dingen lopen door elkaar). Dit boek is wat in de Engelstalige wereld een memoir heet, een vertelling waarin de schrijver probeert zich rekenschap te geven van een deel van zijn leven. En dan wordt eerlijkheid een sleutelbegrip, juist omdat het niet vanzelf spreekt. Vandaar het mantra: uiteindelijk kan een mens alleen maar proberen om eerlijk te zijn, wat Van Dis (1946) na acht jaar psychoanalyse heel goed weet. Zeker in de relatie met zijn moeder, die decennia lang vooral gebaat was bij zo weinig mogelijk contact.

Dat lag in de eerste plaats aan die moeder zelf. Op de openingsbladzijden van Ik kom terug vecht ze met haar zestienjarige zoon om de sleutel van de kist waarin zij haar herinneringen aan Indië bewaart. Hij geeft haar een zet, zij valt. ‘Twee grote tranen gleden langs haar neusvleugels, links een, rechts een, heel traag – een beeld dat zich brandde in mijn geheugen: mijn moeder kon huilen.’ Als je het verzint, is het kitsch – in een memoir is echt gebeurd wél een excuus. Een van de eerste hoofdstukken geeft je de neiging om jeugdzorg te bellen opdat die instelling die arme Adriaan van zijn moeder verlost. Zijn vader is dan net dood en zijn moeder probeert met een ‘magnetische centraalblik’ de geest van de overledene uit haar zoon te jagen.

Recht van klagen

Zo heeft Van Dis recht van klagen, maar op haar 98ste komen mammie en hij toch tot een vergelijk. Hij kan beter met haar omgaan, naar mate zij hulpelozer wordt. Zij wil hem de verzwegen verhalen uit haar verleden vertellen (‘Waarom logen we zo graag in de familie’), maar op voorwaarde dat hij haar helpt te sterven. Want ze heeft er genoeg van: ‘Jij een verhaal, ik een pil.’

De moeder heeft monsterlijke trekken, maar Van Dis zet ook zichzelf in zijn hang naar eerlijkheid, meedogenloos neer. Dat begint wanneer zij hem zegt nog eens naar haar Zeeuwse geboortegrond te willen om de klei te voelen. Hij heeft een beter idee: ‘Ik stelde voor de volgende keer mijn laptop mee te nemen en met Google Earth boven het boerenland te zweven. En klei kon ik overal opspitten.’ Heel veel verder in het boek (en in het aftakelingsproces van de moeder) zien we de 65-jarige zoon woedend een rol Albert Heijn koekjes tot kruimels stampen omdat de bejaarde ze niet blieft. Altijd acht gebleven, denk je, maar niet in de betekenis die Annie M.G. Schmidt eraan gaf.

Toch zit juist dáár de kracht van Ik kom terug. In de manier waarop Van Dis, onhandig maar oprecht, probeert in contact met zijn moeder te komen. Dat doet hij zowel in zijn beschrijving van de ontluistering van de vrouw in het rusthuis, als in de verhalen die zij vertelt. Cruciaal is de scène waarin (toch) het geboortehuis wordt bezocht en waar moeder het aan de stok krijgt met een andere bejaarde: de pachtersdochter Cor die geen enkel respect heeft voor de chique mevrouw Van Dis. Want wáár waren de landeigenaren toen de dijken doorbraken in 1953? Het levert een schitterend tafereel op, een tweepersoons klassenstrijd voor negentigjarige vrouwen.

Esoterie

Zo krijgt de moeder reliëf. Echt prettig wordt ze nooit, maar zij aan zij met haar zoon begin je iets te begrijpen. Hoe ze in de jaren dertig viel voor een Indische officier, dood-alleen op verschillende eilanden in de archipel verbleef (en gezelschap zocht), het kamp overleefde en tenslotte met een nieuwe, veel te moeilijke man terugkeerde naar Nederland om zich te verliezen in esoterie en in haar onvermogen om zich met natuurlijke warmte tot haar kinderen te verhouden. Intussen speelt een constante zorg om status en bezit.

Wat de moeder dan weer wél beheerste, was het tegen elkaar uit spelen van die kinderen, zoals blijkt wanneer haar zoon en dochter (de enige van drie die haar overleeft) zich melden aan het ziekbed, dat een sterfbed wordt. De zoon is de moeder al langer aan het verzorgen, maar de dochter eist dadelijk de regie op, dag en nacht. ‘Aan haar de eer van de laatste reutel’, schrijft Van Dis dan – niet zonder gif. Dat de zus die eer daadwerkelijk opeist door, als hij voor een festival in Frankrijk is, dadelijk de morfine te laten aanrukken is des te wranger.

Er zit veel in Ik kom terug waarvan je blij bent dat je het niet zelf hebt hoeven meemaken, inclusief de onvermijdelijke taferelen rondom een aftakelend lichaam. Van Dis schrijft het allemaal op als een observator die het veelzeggende detail niet schuwt, óók als het hem niet flatteert.

Hij geeft een gesprek met een vriendin weer, waarin ze hem vertelt allerlei goede herinneringen aan zijn moeder te hebben en hem voorstelt een lijstje van haar aardige kanten te maken. Van Dis doet het braaf: vijf aardige herinneringen. Wat ze precies zijn, doet minder ter zake dan het feit dat Van Dis ze zo letterlijk opschrijft. Hij had ze natuurlijk best onopvallend in zijn verhaal kunnen weven, maar zo laat hij zijn worsteling met de moederliefde prachtig zien: hoe hij zich moet dwingen om haar recht te doen, om zich in haar te verdiepen. Want hij moet toch in staat zijn als een normaal mens, volwassen en redelijk met haar om te kunnen gaan? Hij moet toch kunnen voelen wat iedereen voelt?

Die strijd is de kern van Ik kom terug. Het is een uitgangspunt dat niet vrij is van ijdelheid, maar het is, inderdaad, eerlijk. En boeiend tot de laatste bladzijde.