Amsterdamse School-icoon bestaat 100 jaar

Uniek was het – van buiten én van binnen. Dat is het nog steeds. Architect Van der Meij schiep 100 jaar geleden een icoon.

Foto R. van Schalm

Het is niet moeilijk de bestuurders van de zes Amsterdamse scheepvaartmaatschappijen weer te zien zitten. In de kop van het Scheepvaarthuis hebben ze elk hun eigen bestuurskamer op verschillende verdiepingen. Het is het begin van de 20ste eeuw. Ze kijken over het IJ, naar de vertrekkende passagiersschepen. Met als bestemming Amerika. India. Japan. Beneden staan lange rijen voor de loketten. Gelukszoekers, wachtend op de grote oversteek.

De scheepvaartmaatschappijen zijn verdwenen. In plaats van de boot neemt men tegenwoordig het vliegtuig. Het Scheepvaarthuis is een vijfsterrenhotel geworden, het Amrâth. De loketten zijn dichtgemaakt en in de kelder is een zwembad gebouwd. Waar eerst alleen de bestuursleden door de hoofdingang naar binnen mochten, is nu ook het voetvolk welkom. De bestuurskamers op de kop van het gebouw zijn de meest exclusieve suites geworden. In het restaurant eten drie Amerikanen rustig hun ontbijt.

Het Scheepvaarthuis bestaat dit jaar honderd jaar en wordt gezien als het icoon en het begin van de bouwstijl Amsterdamse School. Ter gelegenheid van het jubileum schreven Michiel Kruidenier en Paul Smeets een gelijknamig boek over de architect, Joan Melchior van der Meij. Van der Meij wordt gezien als de vader van de Amsterdamse School. Hij bouwde onder meer het huizenblok Het Schip in de Spaarndammerbuurt. Ook de stalen urinoirs, bekend als ‘Krul’ en nog altijd door de hele stad te vinden, zijn van hem.

Het Scheepvaarthuis was bij de bouw omstreden en gedurfd. Van der Meij was één van de eerste architecten die een gebouw optrok uit beton. Nu is het gebouw een rijksmonument. Ook het interieur, dat Van der Meij samen met Piet Kramer en Michiel de Klerk verzorgde, is een rijkscollectie.

Er is geen plek in Nederland met zoveel Amsterdamse School-kunst als het Scheepvaarthuis. „We zijn hotel én museum”, benadrukt Marcel Bosman, sinds de opening van het hotel in 2007 de algemeen directeur. Samen met conservator Louise de Blécourt beheert hij de collectie. De collectie, zo zeggen ze allebei, is in gebruik. Uniek, vindt Bosman. „De spullen staan op de plek waar ze horen en worden gebruikt waar ze voor bedoeld zijn.”

De hotelgasten zitten op de originele stoelen. De gietijzeren lamp in de grote beraadszaal is de originele lamp. Een dressoir in de suite mist een houten deurknop. Die wordt gerestaureerd door een vast team restaurateurs. „En ja, er gaat wel eens iets kapot”, aldus De Blécourt. „Maar de originele stoelen houden het vaak langer vol dan wat we nieuw kopen.”

In 1998 koopt Amrâth-eigenaar Giovanni van Eijl het Scheepvaarthuis. Hij stelt architect Ray Kentie aan om het gebouw om te bouwen tot hotel. In een brief aan Kentie beschrijft hij de doelstelling. Het gebouw moet authentiek blijven, maar wel luxueus worden voor de hotelgast. Een uitdaging voor Kentie. Hij moet bijvoorbeeld douche-installaties installeren in de suites maar mag niet aan de wanden met houtsnijwerk komen. Kentie plaatst uiteindelijk losse, op maat gemaakte glazen modules in de kamers.

Zeevaart

Het Scheepvaarthuis is gebouwd als gesamtkunstwerk, aldus De Blécourt. Van der Meij vroeg verschillende kunstenaars. De één ontwierp de klokken, de ander het tapijt, de ander de tafels of de stoelen. Dat idee probeert Bosman in stand te houden; bij de renovatie werden verschillende kunstenaars betrokken. Geïnspireerd op een patroon uit het originele behang werd bijvoorbeeld de nieuwe stof voor de banken ontworpen. Eigenaar Van Eijl kocht en koopt daarnaast verschillende stukken om de collectie uit te breiden.

Zolang het maar zeevaart ademt. Een aangekocht beeld van een zeemeermin staat in het restaurant, net zoals het zeeleven terugkomt door het hele pand. Wie goed kijkt, ziet in het houtsnijwerk zeepaardjes. Naast de hoofdingang worden de wereldzeeën verbeeld door mythische figuren. Er zijn ankers verwerkt in de spijlen voor de etalages. Boven het pand wapperen de vlaggen van de scheepvaartmaatschappijen.

De renovatie is voltooid, maar nog steeds komen Bosman en De Blécourt tot nieuwe inzichten. Dat is vooral een kwestie van het gebouw afstropen. Voordat Van Eijl het gebouw kocht was het Scheepvaarthuis in handen van het gemeentevervoerbedrijf GVB. „Zij hadden de collectie eigenlijk verborgen”, zegt Bosman. In plaats van gietijzeren lampen had het GVB tl-verlichting opgehangen. De houten plafonds waren verborgen onder pastelkleurige plafondplaten.

„Het was een hard en kil gebouw”, vindt Bosman. Maar onder de zwartberoete gevel bleek een veel lichtere kleur baksteen te zitten. En de kozijnen, die in de loop der jaren steeds donkerder waren geverfd, bleken van Japanse teak te zijn dat met een beetje lak veel lichter gaat stralen. Het imposante glazen dak met een wereldkaart van glas-in-lood bleek na schoonmaak veel zonlicht door te laten.

Of de gasten het iets uitmaakt? Bosman en De Blécourt denken van wel. Zij zouden de geschiedenis van het pand waarderen. Bosman krijgt veel vragen van gasten. De Blécourt instrueert de medewerkers; zij moeten de gasten de geschiedenis van het gebouw vertellen. Volgens Bosman zijn de gasten voorzichtig met de collectie. „Sowieso hebben we geen Lloret de Mar-publiek.”

De Blécourt stelt dat het Amrâth laat zien hoe een private partij een kunstcollectie in leven kan houden en uitbreiden. Een voorbeeld, vindt zij. De kelder met stukken is bijna leeg: die staan of in het hotel of zijn in bruikleen gegeven aan musea. Een gietijzeren lamp in één van de kamers gaat binnenkort naar Het Stedelijk Museum. „Op die manier kunnen we de collectie nog zichtbaarder maken.”

„Toch, uiteindelijk zijn we vooral een hotel”, vult Bosman aan. Dat betekent dat de gasten comfort willen en gemak. Het Scheepvaarthuis had oorspronkelijk vergaderzalen met glazen wanden. De vergaderzalen zijn omgebouwd tot hotelkamers. En de glazen wand is niet langer doorzichtig. De Blécourt: „De gasten stellen wat privacy toch ook wel op prijs.”