Praten over de dood durft de huisarts soms ook niet

Huisartsen vinden het moeilijk hun patiënten te confronteren met de dood. Patiënten geven niet snel op. En het kost tijd.

Schroom bij huisartsen

Een patiënt vertellen dat de dood onafwendbaar is. Dat is het „allermoeilijkste”, zegt huisarts Kay Liedekerken uit Sittard. Maar soms is het nodig: „Dan móét ik zeggen dat we niet verder kunnen gaan. Dat is helemaal niet leuk. Je patiënt krijgt het gevoel dat je het opgeeft. De dokter moet helpen, niet opgeven.”

Huisartsen voelen schroom om met hun patiënten te praten over de naderende dood. Het medisch-wetenschappelijk tijdschrift Mednet publiceert vandaag een peiling waarin meer dan de helft van de ondervraagden zegt zulke gesprekken onvoldoende te voeren. Het tijdschrift ondervroeg zo’n honderd huisartsen, verspreid over het land. Zij zijn het er grotendeels over eens dat er een grens moet zijn bij de behandeling van patiënten; soms is doorbehandelen zinloos. Maar dat aan patiënten vertellen, blijkt een grote barrière.

Thuis sterven

Liedekerken werkt sinds 1991 als huisarts. Ze vindt het verbazingwekkend hoe vaak ze nu gesprekken voert met patiënten over hun dood, in vergelijking met het begin van haar carrière. Toen had ze nauwelijks patiënten met borst- of darmkanker. Nu komen zij regelmatig. Liedekerken: „Vroeger brachten patiënten hun laatste dagen door in het ziekenhuis. Nu is dat vaker thuis. Ik ben daardoor veel nauwer betrokken bij de laatste fase.”

Dat vraagt veel tijd. En tijd hebben huisartsen niet. Liedekerken offert haar vrije tijd soms op, net als huisarts Kees Pricker uit Deventer. Hij vertelt: „Ik heb 3.000 patiënten in mijn praktijk. Deze patiënten móét ik wel in mijn vrije tijd bezoeken.”

Huisartsen staan dicht bij hun patiënt, in diens laatste levensfase. Ze begeleiden de patiënt, vaak in zijn eigen huis, als hij stervende is. Liedekerken: „Het gaat in fases. Na het brengen van slecht nieuws loods ik patiënten door een rouwperiode. Mijn rol is om ze te helpen daar doorheen te kijken. Wat willen en kunnen ze nog? Later wordt het meer medisch, met pijnbestrijding aan het bed.”

Vrijwel alle geënquêteerde huisartsen hebben één of meer patiënten bij wie ze twijfelen over het nut van doorbehandelen. 85 procent vindt dat er een „duidelijke grens” gesteld moet worden aan een medische behandeling. Een klein gedeelte, 19 procent, vindt dat de leeftijd van de patiënt een rol moet spelen in die beslissing. De kosten van de behandeling zouden volgens 84 procent géén rol moeten spelen. Het enige juiste criterium, volgens de meeste huisartsen: kan de behandeling succes hebben?

Mooie boswandeling

Kans opsucces – daar gaan ook patiënten van uit, vertelt huisarts Pricker. Patiënten willen vaak álles proberen. Maar die houding maakt het voor hem moeilijk om het levenseinde bespreekbaar te maken. Dan wil Pricker beginnen over een waardig levenseinde; begint zijn patiënt over nóg een kuurtje.

Pricker: „Zij geven niet op. Dan is het voor mij moeilijk om het gesprek te beginnen over de dood, want daar zijn ze nog niet mee bezig. Toch wil ik dan aangeven dat er ook andere opties zijn dan doorbehandelen. Bijvoorbeeld: ga met je gezin nog een mooie boswandeling maken, in plaats van weg te kwijnen onder de pillen.”

Medisch ethicus Gert van Dijk, van het Erasmus MC in Rotterdam, onderwijst huisartsen over ethische kwesties. Jonge generaties praten volgens hem makkelijker over de dood, net als jonge generaties patiënten.

Ook is de dood voor huisartsen makkelijker in een gesprek aan te snijden als voorspelbaar is wanneer het einde nadert, zegt Van Dijk: „Kankerpatiënten bijvoorbeeld gaan geleidelijk achteruit als ze uitbehandeld zijn, terwijl het verloop bij chronische ziekten zoals hartfalen lastiger te voorspellen is. Welk moment kies je dan om over de naderende dood te beginnen? Deze patiënten hebben altijd nog de hoop.”

Huisarts Liedekerken kijkt per patiënt naar de omstandigheden. „Gaat iemand ervoor? Heeft de patiënt een gezin? Soms is het beter te zeggen dat het einde nabij is. Dat is dan de beste manier van hulp bieden.”