Column

Pa, hou je bek

Waar je ook keek, Piketty was gisteren overal. In de Tweede Kamer, in Paradiso, op de buis en in de Arena. De Arena? Jazeker, daar voetbalde een steeds rijker wordende club tegen een bescheiden clubje dat zich kranig verweerde. Die arme jongens zetten voor één keer hun minderwaardigheidscomplex opzij en dreigden zelfs even een voorsprong te nemen.

Toen vond de onrechtvaardige God van het voetbal het welletjes. Hij had destijds uiteraard als eerste de drukproeven van Piketty gelezen en besloot dat Hij er ook in de Arena naar moest handelen. Zo onthield Hij de arme jongens een strafschop en liet Hij hun altijd zo foutloze keeper opeens een onbegrijpelijke fout maken. Wedstrijd voorbij. De arme jongens verdwenen geruisloos naar hun lekkende huisjes in de sloppen van Amsterdam, de rijke jongens namen hun privéjet naar het land van Sinterklaas.

De achterblijvers wilden uit machteloze woede allemaal communist worden, maar ze ontdekten dat die partij in hun land al lang geleden was opgeheven. Wat dan? Jesse Klaver van GroenLinks? Een brave jongen, maar een Marcus Bakker of Fré Meis valt nog niet in hem te ontwaren; het zou geen kwaad kunnen als hij zich een wat volkser accent aanleerde.

Toch maar de PvdA dan? Daar openbaarde zich een probleem. De PvdA wilde liever niet zeggen wat ze van Piketty vond, dat zou de regeringspartner VVD maar kunnen kwetsen. Alleen Willem Vermeend, oud-staatssecretaris van de PvdA, wilde in de Volkskrant wel even uitleggen dat Piketty er helemaal niks van begrepen had.

De PvdA had bovendien wel iets anders aan het hoofd: een staatssecretaris die nog steeds aan de macht is en de afgelopen dagen door een politieke hel ging. Martin van Rijn overkwam het ergste wat een politicus kan overkomen: een familielid, nota bene zijn vader, dat zich tegen hem keert.

Als ik het even op mezelf mag betrekken: ik zou het willen vergelijken met mijn vader, inmiddels al geruime tijd zaliger na een verblijf in een overigens uitstekend verzorgingshuis, die een ingezonden brief naar deze krant zou schrijven met de tekst: „Lees nooit mijn zoon. Allemaal leugens en bedrog, en nog slecht geschreven ook. Wie die columns leest, krijgt het gevoel dat hij tot aan zijn enkels in de urine staat.’’

Toen Van Rijn het interview met zijn vader in het AD (Altijd Doornat) las, moet er een bijbelse woede in hem zijn losgewoeld. Alles wat hem ooit in zijn jeugd had dwarsgezeten, kwam weer boven. We kennen allemaal deze gevoelens en gedachten. Pa, hou nou eindelijk eens je bek! Bemoei je d’r niet mee! En laat ma er buiten! Je begrijpt er niks van. Vroeger was alles beter, ja, maar vroeger bestaat niet meer! Ik leef mijn eigen leven en ik hoef aan jou geen verantwoording meer af te leggen!

In die gemoedstoestand zal Van Rijn zijn vader hebben opgebeld toen hij de tekst van het AD-artikel had gelezen. „Vanavond kom ik op de televisie”, was het eerste wat zijn vader tegen hem zei. In een onheilspellende flits zag Van Rijn het voor zich: een schuimbekkende vader, klagend over zijn vrouw, en vergezeld van een andere razende bewoner. Het zou één grote aanklacht tegen zijn beleid worden, Pauw zou het tot de laatste druppel uitmelken. Hij zou het nooit meer te boven komen – en Samsom ook niet.„Pa”, zei hij hees, „wil jij het aftreden van je eigen zoon op je geweten hebben?”