Column

Met z’n allen Harvardje spelen werkt hier niet

De overheid moet zich niet bemoeien met de taal die we spreken in de collegezaal, schrijft Christiaan Weijts. Nederlands is moeilijk en goed genoeg.

Terwijl de Tweede Kamer vergaderde over het vervangen van de studiefinanciering door een hypotheekconstructie stelden vier wetenschappers in Amsterdam een manifest op tegen een ander fenomeen dat het hoger onderwijs al jarenlang van binnenuit aantast als betonrot: het Engels als academische voertaal.

Het stuk, te vinden op de website van universiteitsblad Folia, is verplichte kost voor elke academicus en universiteitsbestuurder. ‘Voor het leeuwendeel van onze studenten is het al een enorme opgave een goed essay, laat staan een leesbare bachelor-scriptie op papier te zetten. Zolang dat nog problemen oplevert, is het te vroeg dezelfde vaardigheden te veronderstellen in een andere dan de moedertaal’, schrijven ze. En ook bij de docenten is de taalvaardigheid in het Engels onvoldoende, weten zij. ‘Erger is dat goede docenten hun welsprekendheid wordt afgenomen. In plaats van bevlogen en inspirerende sprekers worden ze, in het beste geval, adequate docenten. Dat is een onschatbaar verlies.’

Het is waar. Ik heb eens een half jaar met geesteswetenschappers in een Wassenaarse villa doorgebracht (onderzoeksinstituut NIAS). Daar probeerde ik op een ochtend met een klein clubje een workshop schrijven in het Engels te geven.

Het lukte wel, maar het voelde als boetseren met dikke wanten aan. Ik had alleen te grove, te elementaire begrippen tot m’n beschikking voor zoiets delicaats als schrijven, waarvoor ik tijdens de lunch, als de Nederlanders en de buitenlanders vaak spontaan hun eigen groepjes vormden, wél de juiste woorden vond. De wanten mochten even uit. Zelfs de meest ervaren hoogleraren beaamden het: college geven in het Engels is verrotte moeilijk.

Het probleem is dat de overheid ons zo graag terug in die mondiale ‘top 5 van beste kenniseconomieën’ wil hebben dat we er maar alvast een voorschot op nemen. Als we nu maar met z’n allen Harvardje gaan spelen, en in onze collegezaaltjes wat backpackers-Engels gaan kwekken tegen elkaar, dan worden we vanzelf wel ‘excellent’.

Uit angst voor provincialisme stellen we het Engels verplicht, met als gevolg dat we pas echt provinciaals zijn, met zo’n steenkolentoneelstukje. Juist door onze gretigheid naar het hoogste tuimelen we de diepte in. Het Engels is voor onze universiteiten wat voor Icarus zijn vleugels waren.

Wie straks studeert, begint met een maximale achterstand: hij beheerst de taal niet, schuift aan in collegezalen waar docenten zich tegen hun zin een vreemde taal moeten uiten, hij moet zo snel mogelijk afstuderen, opgejaagd door selectie en bindend studieadvies.

En als beloning voor al dat gezweet krijgt hij een schuld van tienduizenden euro’s. Het leenstelsel is een verplichte rommelhypotheek op een pand vol betonrot.