Maskers van de meester van de driehoekige neus

Tot nu toe waren de makers van Afrikaanse maskers en beelden vaak anoniem. Op de tentoonstelling ‘Magisch Afrika’ in de Nieuwe Kerk, met sculpturen uit Ivoorkust, krijgen de kunstenaars een naam.

Maskers van de Dan uit Ivoorkust met links een dansmasker van de figuur Ngedi dat kunstenaar Tame (1900-1965) sneed voor zijn neef Wey, ca 1940 Foto Olivier Middendorp

Het eerste Afrikaanse masker dat Pablo Picasso in Parijs zag aan het begin van de vorige eeuw was een masker van de Dan, een stam uit Ivoorkust. Matisse liet het hem zien. Zou Picasso hebben gevraagd hoe de maker heette?

Afrikaanse kunst is lang beschouwd als Afrikaans ambacht. Het hing niet in kunsthistorische maar in natuurhistorische of volkenkundige musea. De naam van de maker deed er niet toe: die bekommerde zich toch niet om zijn eigen stijl, laat staan dat hij een heel nieuw -isme zou uitvinden, zoals Picasso. De tentoonstelling van sculpturen uit Ivoorkust die nu in de Nieuwe Kerk in Amsterdam te zien is, breekt met deze traditie, al doet de titel anders vermoeden. Maar ook deze sculpturen hebben individuele scheppers, kunstenaars die aan een eigen stijl te herkennen zijn. Voor zover nog mogelijk is uitgezocht welke beelden door welke kunstenaar of welk atelier zijn gemaakt.

In de Nieuwe Kerk blijkt dat binnen de beeldhouwtradities van één volk wel degelijk plaats was voor originaliteit en innovatie en dat de kunstenaars zeker niet anoniem waren. Sommige waren zo beroemd dat ze door meerdere stammen gevraagd werden om beelden te maken, en dat deden ze dan in verschillende stijlen. Een van de op de expositie vertegenwoordigde Dan-beeldhouwers was bekend onder de naam Sra, te vertalen als god de schepper.

Van sommige beeldhouwers is de naam niet meer te achterhalen. Zij hebben noodnamen gekregen, zoals ook met Europese schilders uit de Middeleeuwen en de vroege Renaissance vaak is gebeurd. Bij de Vlaamse primitieven heb je bijvoorbeeld de meester van Flemalle en de meester van het geborduurd gebladerte. Uit Ivoorkust komen nu de meester van Essankro, de meester van de driehoekige neus en de meester van de kronen. De meeste namen verwijzen naar de streek van herkomst of naar een opvallend stijlkenmerk.

Sommige zijn ook vernoemd naar een westerse handelaar of verzamelaar, of naar een westers kunstenaar met wie stijlverwantschap werd gezien, zoals de Belgische schilder Maurice De Vlaminck. „Dat zal ik zelf niet snel doen”, zegt Lorenz Homberger tijdens een rondleiding in de Nieuwe Kerk. Homberger is conservator van het Rietberg Museum in Zürich, een museum met niet-westerse kunst. Samen met Eberhard Fischer, ex-directeur van het Rietberg, stelde hij deze tentoonstelling samen, die na de Nieuwe Kerk nog naar Museum du quai Branly in Parijs reist.

Ze wijzen tijdens een rondleiding op elegante details, veelzeggende verschillen, ze roepen de naam van een westerse kunstenaar met wie ze verwantschap zien. Brancusi! Keer op keer verzekeren ze dat dit werk van de hoogste kwaliteit is. Fischer heeft sommige beeldhouwers nog ontmoet, op zijn reizen met zijn stiefvader, Hans Himmelheber, die als eerste etnograaf in de jaren dertig Afrikaanse kunstenaars uit de anonimiteit haalde. Ik vraag Fischer welke criteria hij hanteert bij het bepalen of het ene beeld mooier is dan het andere. „Ga maar in de museumwinkel kijken”, zegt hij. „Werken die voor toeristen worden gemaakt zijn veel minder verfijnd. Dit is echt de crème de la crème. Andere kunstenaars, of ze nu uit een westerse traditie komen of niet, zien dat meteen.”

Ik vraag me af of hij gelijk heeft. Zou kunst dan echt universeel zijn? Of hanteren de heren toch vooral criteria die in de canon van westerse kunstgeschiedenis belangrijk zijn? Bepaalt de smaak de canon of bepaalt de canon de smaak? De expositie legt de nadruk op de esthetische kwaliteiten van de beelden. Dat kan, maar toch blijft er iets wringen. Nog steeds is de westerse kunstgeschiedenis het model waarnaar de Afrikaanse kunst zich moet voegen. Veel werken op de tentoonstelling lijken meer op westerse beeldhouwkunst omdat ze niet in hun geheel getoond worden. Van de maskers wordt bijvoorbeeld meestal alleen het houten gezicht getoond. De versiering is vergaan of verwijderd.

Van één masker op de tentoonstelling, gemaakt door Tame, is het haar wel bewaard gebleven. Dunne reepjes stof die het gezicht meteen een ander aanzien geven. In vol ornaat ziet zo’n masker er nog anders uit. Er staan drie poppen op de tentoonstelling, in een hoekje, alsof ze eigenlijk niet mee mogen doen. Hele kostuums zijn misschien te ordinair voor een esthetische tentoonstelling. Er is ook maar één filmpje te zien waarop de maskers in actie te zien zijn. Het werd vijftig jaar geleden door Fischer zelf opgenomen in Ivoorkust. Hier wreekt zich dat de westerse esthetica waar de Afrikaanse beelden zich op deze expositie aan moeten aanpassen niet meer hedendaags is. De ijkpunten van Fischer en Homberger zijn Brancusi en Picasso gebleven, kunstenaars van honderd jaar geleden. Maar ook de westerse kunst is veranderd. De korte film waarin een van de maskers in vol ornaat dansend is te zien, is daarom ook te beschouwen als kunstwerk.