Kopers raken hun éígen huis niet kwijt

Vorig jaar knipte Ger Kamps een artikel uit de krant, waarin stond dat een huis beter verkoopt als het nog maar net in de verkoop staat. Sindsdien denkt hij af en toe: moeten we dit huis niet een paar maanden uit de verkoop halen? Want verder heeft hij alles geprobeerd om de woning van zijn overleden oom en tante te verkopen.

Kamps is fors in prijs gezakt. Heeft een architect tekeningen laten maken voor mogelijke verbouwingen. Grote advertenties in de krant gezet. Hij heeft er zelfs een keer een auto gratis bij aangeboden. „Allemaal stunts om de spot weer op het huis te richten.”

Zijn jongste poging: een tweede makelaar inhuren om „de etalage nog wat groter te maken”. Die extra makelaar moet het publiek uit de stad bereiken. Nijmegen ligt maar vijftien kilometer verderop.

Eén keer is er een bod gedaan, maar die kandidaat kreeg zijn hypotheek niet rond en zijn woning niet verkocht. Wat Kamps vaak meemaakte, bij zeker tien van de ongeveer dertig serieuze kandidaten die de afgelopen drieënhalf jaar het huis bezichtigden, is dat mensen hun eigen huis niet verkocht krijgen voor het bedrag dat ze ervoor willen hebben. „Hoe meer mensen moeten inleveren om hun huis te verkopen, hoe krampachtiger ze worden. Het zijn toch hun spaarcentjes. Dus dan blijven ze er nog maar een tijdje wonen.”

Het liefst had de oom van Kamps zijn huis zelf verkocht, nadat hij in 2011 in een verzorgingstehuis ging wonen. Dat lukte niet. Toen hij vorig jaar overleed, werden de verkoop en het onderhoud de verantwoordelijkheid van zijn testamentair executeur. Kamps. „Het afwerken van deze nalatenschap moet niet nóg een jaar duren. Hoe langer het huis leegstaat, hoe moeilijker de verkoop wordt. Dat is ook niet goed voor het pand.”

Het huis is niet duur, zegt Kamps, en goed onderhouden. De tuin is groot. Vóór de crisis, dat weet hij zeker, zou het heel snel verkocht zijn. Hoe ver de in totaal zestig erfgenamen willen gaan als er een bod gedaan wordt, dat houdt Kamps liever voor zich. „Laat ik het zo zeggen: er valt ruimschoots te onderhandelen.”