Column

Kniel voor de Lama van vraag en aanbod

Praktijk versus theorie: De economie moddert voort in onbekende richting en de theoretische verwarring stijgt alleen maar. Hoe langer de crisis duurt, hoe meer zekerheden de economische wetenschap ontvallen.

Voorbeeld één: Deze week kwam het interne evaluatiebureau van het Internationale Monetaire Fonds met een berisping voor de organisatie zelf. De nadruk op bezuinigingen als antwoord op de crisis, die vóór 2010 de boventoon voerde, was foutief geweest en had veel eerder moeten worden omgezet in een beleidslijn die de aangesloten landen juist stimulering van de economie aanbeval.

Sorry, zei het IMF, na ontvangst van het rapport. Na 2010 veranderde de organisatie inderdaad van toon. Maar daarvóór had zij gedwaald.

Maar nog maar een maand geleden maakte IMF-baas Christine Lagarde juist iets wat dichtbij verontschuldigingen kwam aan het adres van het Verenigd Koninkrijk. De reden? Het IMF had de regering-Cameron gegispt omdat zij bezuinigde – geheel volgens die nieuwe beleidslijn dus. Maar na een opleving van de economische groei in het VK moest het IMF toegeven dat zij het bij het verkeerde eind had gehad. Londen drong aan op een knieval van het IMF, en kreeg die. Twee excuses dus: sorry, dat we aandrongen op bezuinigen, maar ook sorry dat we in plaats daarvan aandrongen op stimuleren.

Hier is een welgemeend ‘huh?’ wel op zijn plaats.

Waarom deze verwarring? Omdat de theorievorming op dit moment in een vacuüm opereert. En dan zijn er plots allerlei visies en denkbeelden mogelijk die allemaal eigenlijk even valide kunnen zijn. Een voorbeeld: het is algemeen aanvaard dat een lage rente van centrale banken de bestedingen aanwakkert en de inflatie op termijn doet stijgen. Zoals een hoge rente de bestedingen remt en de inflatie drukt. Zo voeren centrale banken op dit moment hun beleid. Maar algemeen aanvaard? De Bloomberg-columnist en econoom Noah Smith wees deze week op een totaal andere gedachte, onder meer gedeeld door de Amerikaanse economen John Cochrane en Steve Williamson. In de theorie die zij aanhangen leidt een lage rente juist tot deflatie en een hoge rente tot inflatie. De omgekeerde wereld dus. En dan is het des te verbazingwekkender te weten dat Williamson vicevoorzitter is van de Federal Reserve van St.Louis, die medeverantwoordelijk is voor het monetaire beleid in de VS.

Is dit erg? Eigenlijk niet. Het tekent de grote behoefte aan nieuwe inzichten. Econoom Larry Summers had vorig jaar rond deze tijd de term ‘seculiere stagnatie’ nog niet gebezigd of deze oude theorie van eind jaren dertig beleefde een enorme hausse. Hetzelfde geldt voor de theorie van de Franse econoom Thomas Piketty, gisteren nog in het Nederlandse parlement. Het voorspellende deel van zijn theorie vertoont ernstige gebreken, stelt het gros van de economen bij nader inzien. Maar zijn populariteit, die hij juist aan zijn voorspelling ontleent, is er niet minder om. In de VS is de Oostenrijkse laisser faire-econoom Ludwig von Mises (1881-1973) inmiddels al een huisvriend in conservatieve kring. Vijf jaar geleden had vrijwel niemand buiten de academische kring ooit van hem gehoord.

We zijn, kortom, misschien wel getuige van het begin van een Cambriaanse explosie van nieuwe en vernieuwde economische inzichten. Het doel? Geen doel, zoals de evolutie dat ook niet heeft. Maar op de achtergrond zindert het verlangen naar een nieuwe John Maynard Keynes van de jaren dertig, een nieuwe Milton Friedman van de jaren zeventig, die opkwamen toen de oude theorie geen antwoord meer leek te hebben. Een theoretische verlosser dus, een nieuwe economische Maitreya. Een Lama van vraag en aanbod, die wordt geboren als de oude overlijdt.