Hallo, ligt hier iemand?

In de Alpen komen jaarlijks meer dan honderd mensen om in lawines. Toch nemen veel wintersporters risico’s, want de beste sneeuw vind je nu eenmaal off-piste. Bij een lawinecursus van het Snow Safety Center leert Anne-Martijn wat ze moet doen als het misgaat.

We zitten op bioscoopstoeltjes tussen de skischoenen en staren nu al minutenlang naar een lichtblauw scherm. Het is zaterdagavond en in MK Skiservice – ‘dé skiwinkel in Bilthoven’ – zijn zo’n 25 mensen bijeengekomen. Iedereen is stil. We bekijken een filmpje van een skiër die zojuist is bedolven onder een lawine. De man slaakt af en toe een wanhopige kreet.

Na vijf eeuwigdurende minuten doorbreekt Rolf Westerhof de stilte. „Bedenk je, dit is een extreem snelle redding”, zegt hij terwijl het slachtoffer wordt bevrijd. Rolf, een energieke veertiger met kort grijs haar en vriendelijke bruine ogen, is de oprichter van het Snow Safety Center – een kenniscentrum verbonden aan de Nederlandse Ski Vereniging. De eigenaar van de winkel heeft hem zojuist geïntroduceerd als „de lawinejehovah van Nederland”.

„De essentie is: zorg dat je níet in een lawine terechtkomt”, zegt Rolf tegen de groep wintersporters in Bilthoven. „Veel mensen die dat overkomt, gaan namelijk dood.” Van de reddingsdiensten hoef je volgens hem niet veel te verwachten: onder de sneeuw heb je 15 tot 18 minuten om te overleven. De reddingshelikopter moet er binnen anderhalf uur zijn. Rolf: „Als je gaat parachutespringen en de parachute doet het niet, kun je de wegenwacht bellen, maar dat gaat je niet helpen.”

Maar wat dan wel? Dat leer je tijdens de trainingen van het Snow Safety Center.

Twee uur eerder. We staan op een zandvlakte in de Biltse Duinen voor een ‘piepertraining’. Rolf hurkt en tekent met zijn wijsvinger een halve cirkel in het donkerbruine zand. „Stel: dit is een lawinekegel. Ergens in dit gebied ligt je slachtoffer. Je begint op het punt waar je die figuur het laatst hebt gezien. Daar zet je je pieper op ontvangen. Je moet gestructureerd te werk gaan. Totdat dat ding zegt: ‘Piep-piep!’.”

Een pieper is een van de drie basisdingen die iedere freerider nodig heeft om zelf een reddingactie te kunnen uitvoeren. Daarnaast is er een sonde – een soort uitschuifbare tentstok – en een schep. Eventueel kun je je uitrusting aanvullen met een rugzak met een lawine-airbag, die ervoor zorgt dat je niet of minder diep onder de sneeuw terechtkomt.

Eerst snel, dan nauwkeurig

Een zoekactie kun je vergelijken met het landingsproces van een vliegtuig. „De snelheid neemt af, de nauwkeurigheid neemt toe.” Er zijn vier fases. Fase één: op zoek gaan naar een signaal. Fase twee: het volgen van het signaal. Er verschijnt een getal dat aangeeft hoe ver je je van het slachtoffer bevindt. Hoe kleiner het getal, hoe dichterbij je bent. Bij 10 gaat de derde fase in: het fijnzoeken. De laatste zoekfase, het prikken met de sondeerstok, gaat in wanneer de pieper z’n werk niet nauwkeuriger kan doen. Tot zo ver de theorie. Ik krijg een harnas met een pieper omgehangen.

Als een gek draaf ik tien seconden later met mijn pieper zigzaggend over de zandvlakte. Links, rechts, links. Een man en twee kinderen kijken vanaf de rand van het bos verbaasd toe. Ik negeer ze - ergens onder het zand ligt een hypothetisch slachtoffer dood te gaan!

Het pijltje dat ik zou moeten volgen verspringt om de seconde. Dit is niet oké. Doe ik het fout? Ik kijk vragend achterom. „Heb je misschien iets in je zakken zitten?”, vraagt Rolf. „Het is heel gevoelige apparatuur. Alles dat zendt verstoort het signaal.” Mijn telefoon blijkt de boosdoener. De reddingsactie kan worden voortgezet.

Een paar seconden later gaat de pieper af. 45, staat er op het scherm. Eindelijk, ik zit op het goede spoor. Met iedere meter die ik afleg gaat het apparaat sneller en hoger piepen. 13, 12, 11, 10. Wat moest ik nu ook alweer doen? Ik denk aan het vliegtuig. O ja, nauwkeurigheid. Ik ga langzamer lopen. Bij elke stap houd ik de pieper een stukje dichter bij de grond.

Er verschijnt een 3 op mijn display. Nu moet ik echt precies te werk gaan, anders zoek ik straks op de verkeerde plek. Mijn sondeerstok leg ik op de grond om ervoor te zorgen dat ik niet afwijk van de lijn waarin ik volgens het hysterisch piepende apparaat in mijn linkerhand moet zoeken.

Aluminium is waardeloos

0.5. Lager gaat het getal niet. Hier moet het zijn. Ik prik met de stok in het zand. Niks. Na nog zo’n vijf keer prikken is het raak. Nu moet ik graven. Dit keer gaat dat met een ouderwetse schop, in het echt met een lawineschep van aluminium. Er zijn ook plastic varianten, maar die zijn waardeloos, zegt Rolf. „In de sneeuw versplintert zo’n ding binnen no time.”

Het graven kost de meeste tijd. Mensen die bedolven raken onder een lawine liggen vaak tussen de 80 centimeter en 1.20 meter diep. En lawinesneeuw kan zwaar zijn, al gauw 500 kilo per kubieke meter. Na een paar minuten scheppen komt een geel plankje met een zender in zicht. Mijn slachtoffer is gered.

Als we teruglopen naar de auto vraag ik Rolf naar zijn eigen ervaringen in de Alpen. Zo’n negen weken per jaar is hij in de sneeuw om lawinecursussen te geven. Want, zegt hij, „dit leer je niet uit een boekje”. Twee keer kwam hij in een lawine terecht, maar een echte reddingsactie heeft hij nooit meegemaakt. „Je wordt hard naar beneden gezogen, de grond zakt onder je voeten weg, Heel bizar. ” Ik vraag hem wat je het beste kunt doen als het je overkomt. „Bidden”, luidt het antwoord. „En hopen dat je gezelschap goed voorbereid is.”