Freek, omdat hij het beter weet

Hij wordt door iedereen verkeerd begrepen, vindt Freek de Jonge. Daarover gaat zijn nieuwe voorstelling ‘Als je me nu nog niet kent’.

Freek de Jonge in zijn voorstelling Als je me nu nog niet kent Foto Paul Schuurman

In het titelnummer van zijn nieuwe cabaretprogramma Als je me nu nog niet kent schetst Freek de Jonge drie situaties van verwijdering en twijfel: in relatie tot zijn vader, zijn vrouw en zijn publiek. Elke keer vraagt hij zich af of er dan geen vertrouwen in hem is. De ander zou toch beter moeten weten, hem onderhand eens moeten kennen.

Vol onbegrip wijst hij op de zogenaamd lege balkons – waar zondagavond in de Tilburgse schouwburg genoeg publiek zit – en wijst dan op zijn staat van dienst. Hoe hij ten slotte het podium afloopt, steeds een paar passen doend, talmend, suggererend dat hij nog wat gaat zeggen, dan weer doorlopend, is mooi. Maar die verongelijktheid niet.

Al in het begin van de avond stelde hij dat zijn identiteit en imago wijd uiteenlopen, en zong hij over hoe verkeerd het is hem een moralist te vinden: „Dan zit je ongenadig mis.” Hij lanceert het onderwerp door te vertellen dat iemand tegen hem zei: „Wie denk je wel niet dat je bent.” En dat vindt De Jonge een heel goede vraag. Daar gaat eigenlijk de hele avond over.

De kennelijke onvrede over hem vat hij tegen het einde samen met „weer die betweterigheid, weer die onbescheidenheid”. Dat zouden de mensen denken die niet naar zijn programma komen. Zijn hartekreet komt met een flinke dot pathos, terwijl zijn band de slijpsoul van If you don’t know me by now van Harold Melvin & The Blue Notes speelt, maar hij lijkt het te menen.

Wat is er aan de hand? Heeft De Jonge aanleiding voor zijn klacht? Het feit dat de zaal vol zit, spreekt hem tegen en verder geeft hij geen argumenten. Is het nodig de liefde voor zijn werk af te willen dwingen? Een artiest met de statuur van De Jonge verdient uiteraard veel krediet. Van de man die het cabaret in Nederland heeft wakker gekust, wil je maar al te graag dat hij op zijn zeventigste nog relevant is.

Er staat tegenover dat het publiek wat terug mag verwachten, elke nieuwe show weer. Daarbij is meer van hetzelfde in zijn geval geen probleem. Tenminste, als het gaat om waar hij goed in is: scherpzinnige en snijdende analyses verpakt in hoon en satire. Daar kom je voor: de cabaretier weet het beter! In dit nieuwe, wisselvallige programma komt hij aan die wens maar deels tegemoet.

De start is sterk, met snelle grappen over Frans Timmermans en IS. En hij doet hilarisch verslag van een bezoek aan het Kruidvat, vanwege een grabbeltonfestival. Dat grabbelen leidt niet, zoals je meteen denkt, naar het graaien van foute ondernemers. Het heeft geen functie, en De Jonge stoomt door naar een absurde lijst producten („roosverstuiver, voorhuidshampoo”): innovaties die aantonen dat vroeger echt niet alles beter was.

Wat volgt zijn mindere stukken: over koffie, het verschil tussen dorp en stad, de Veluwe en voetbalgeweld. Bij dat laatste doet hij eigenlijk niet veel meer dan een koddige imitatie van een grensrechter. Onder die sketches ligt wel de kritiek dat de moderne mens zich te snel en te graag ergert, maar erg diept graaft De Jonge niet. In zijn streven om geen moralist te zijn, is het commentaar mee het raam uit gegaan.

Zijn clowneske acteren en zijn geëxalteerde voordracht, waarbij hij licht hysterisch woorden in een zin beklemtoont, houden de voorstelling aan de gang. Maar lang niet alle grappen zijn echt raak. Dat is nog los van de bevreemdende gewaarwording dat een cabaretier een ouwe mop tot eigen anekdote promoveert. Zoals De Jonge doet met de man die ‘aids’ op zijn lul lijkt te hebben getatoeëerd, totdat hij zegt dat er bij een erectie Adidas zal blijken te staan.

In satire zonder moralisme slaagt De Jonge wonderwel in een schitterend nummer na de pauze. Hij vertelt uitgebreid over zijn Zeeuwse familie, onder meer over een verre voorouder die op zee verdronk bij een mislukte poging te verhinderen dat een van de slaven die hij vervoerde overboord sprong. De misère van de slaven vergeet hij niet. Maar volgens de familie ligt de schuld van zijn dood bij de slaaf en generaties later laait er nog een bittere weerzin tegen zwarten bij de nakomelingen. Het is overbodig, en De Jonge laat het wel uit zijn hoofd om de ongerijmdheid van die afkeer te benoemen.

IJzersterk is ook zijn absurdistische parodie op de stem des volks bij zogenaamde straatinterviews, zoals tijdens de nationale, publieke rouwverwerking na de ramp met de MH17. De oeverloze reacties die willekeurige Nederlanders geven, laat hij knap ontsporen. Ja, dat is humor in de vorm van beter weten, van gedrag afkeuren, en dus van moralisme. Maar als je zo geestig en grotesk de misplaatste verbondenheid en de gretigheid om in te haken bij een ramp weet bloot te leggen, dan maalt niemand daar om.

Als De Jonge de desinteresse van de thuisblijvers benoemt, roept hij namens hen ook: „Ja, dan gaat hij weer zingen!” Daar hebben de thuisblijvers toch een punt. Als je mij nog nu nog niet kent bevat een ruime handvol liedjes. Zolang hij zich zingzeggend, bijna pratend, door de tekst werkt, is er weinig aan de hand, want aan de tekst ligt het niet. Maar een paar keer wordt het zingen, met onvaste stem, die snel schel wordt, en dan is de vraag of De Jonge zichzelf niet beter moet kennen. Het is hobbyisme en is dat niet een werkwijze die hij bij andere professionals verfoeit?

Als je na afloop dan toch ergens mee naar buiten loopt, dan is het met een lied van Neerlands Hoop in je hoofd. Het is een overblijfsel van het programma dat De Jonge eigenlijk zou spelen, over zijn vroegere kompaan Bram Vermeulen. De band rockt, en De Jonge zingzegt gepassioneerd: „God is de bierkaai, moeder/ Geld is de bierkaai, moeder/ Macht is de bierkaai, moeder/ De bierkaai waartegen ik vecht.”

Dat is hoe je Freek kent.