De geheime straatfoto’s van een excentrieke gouvernante

Vivian Maier was een kindermeisje uit Chicago dat in het geheim werkte aan een immens fotografisch oeuvre. Pas na haar dood werd ze ontdekt als een van de grootste straatfotografen van de twintigste eeuw.

1) Chicago, 3 september 1954 Foto’s Vivian Maier/ Maloof Collection, Courtesy Howard Greenberg Gallery, New York

‘Als haar levensloop was verfilmd in Hollywood, zou je het een ongeloofwaardig verhaal vinden”, zegt historicus John Maloof in zijn film Finding Vivian Maier (2013). En inderdaad, het is een sprookje dat te mooi klinkt om waar te zijn. De synopsis: een Amerikaanse nanny, die haar hele leven gezorgd heeft voor kinderen van rijke families, blijkt in het geheim een oeuvre van tienduizenden foto’s te hebben gemaakt, stuk voor stuk mooi gecomponeerde, raak getroffen straatbeelden. Deze Mary Poppins beschikt over minstens zoveel talent als Diane Arbus of Helen Levitt, maar ze durft haar werk aan niemand te laten zien. Pas aan het eind van haar leven worden haar foto’s ontdekt. Postuum groeit ze uit tot een van de grootste fotografen van de twintigste eeuw.

Onwaarschijnlijk? Toch is dit precies hoe het gegaan is. Vivian Maier (1926-2009) heeft echt geleefd, al weet de kunstwereld pas sinds een jaar of vijf van haar bestaan. In die vijf jaar zijn er al twee films over haar gemaakt – naast Finding Vivian Maier ook de BBC-documentaire Who Took Nanny’s Pictures – en verschenen er vier fotoboeken. Afdrukken van haar werken werden tentoongesteld van Shanghai tot Chicago en van Oslo tot Warschau, met lyrische artikelen in de wereldpers als gevolg. Vintage prints van Maier doen op veilingen inmiddels 8.000 dollar per stuk. Die massale postume verering is eigenlijk maar met één andere kunstenaar te vergelijken: Vincent van Gogh.

Vanaf morgen is haar werk ook in het Amsterdamse fotografiemuseum Foam te zien. De 120 afdrukken op de expositie Vivian Maier, Street Photographer zijn „slechts het topje van de ijsberg”, zegt curator Claudia Küssel. In totaal heeft Maier zo’n 150.000 foto’s en honderden 8mm-films nagelaten. Een groot deel daarvan moet nog ontwikkeld, afgedrukt en in kaart gebracht worden. „Deze tentoonstelling is dus slechts een introductie”, zegt Küssel. „Er zal nog veel kunsthistorisch onderzoek moeten plaatsvinden.”

Al die foto’s, negatieven en films lagen tot voor kort weggestopt in vijf opslagboxen in Chicago, samen met Maiers kleding, schoenen, hoeden, bonnetjes, treinkaartjes, broches, cassettebandjes, boeken, kranten en alle andere prullen die ze in de loop van haar leven verzameld had. In 2007 kon de 81-jarige Maier de huur van de opslag niet meer betalen, waarna al haar bezittingen verkocht werden door een lokaal veilinghuis. John Maloof, een makelaar en historicus die op zoek was naar oude foto’s van Chicago voor een boek waar hij aan werkte, kocht de grootste doos voor 380 dollar. De andere dozen en koffers raakten verspreid over diverse kopers.

Een zoektocht op internet naar haar naam leverde niets op, vertelt Maloof in zijn film. Het was alsof Vivian Maier nooit bestaan had. Twee jaar na zijn aankoop, in 2009, stuitte hij pas op een eerste aanwijzing: haar overlijdensadvertentie. Maloof besloot vervolgens op zoek te gaan naar de mysterieuze maakster van al die sterke beelden. Wie was ze, waar kwam ze vandaan? Hij belde de telefoonnummers die hij in Maiers archief gevonden had. „Vivian? Dat was onze gouvernante, onze oppas, onze huishoudster”, was steeds het antwoord. En ja, ze liep altijd met een camera om haar nek. Maar dat die foto’s zo goed waren, wist niemand. Ze had ze nooit aan iemand laten zien.

Rolleiflex

De afdrukken die te zien zijn in Foam komen uit de collectie van Maloof, die er inmiddels zijn levenswerk van heeft gemaakt om Maiers oeuvre te ontsluiten. De meeste zijn zwart-wit en gemaakt met een Rolleiflex, een toestel waar je van bovenaf door de zoeker kijkt. Met die camera op haar buik struinde Maier dagelijks door de straten van New York of Chicago, vaak met een of meer kinderen op sleeptouw. Haar baan als kindermeisje verschafte haar een ideale dekmantel. Ze had veel tijd om buiten door te brengen, op het strand, in speeltuinen of in winkelstraten – nanny zijn was haar alibi. En ze viel daardoor niet op. Dat zie je aan de verraste blikken van de voorbijgangers die, totaal onverwacht, door haar gesnapt zijn. Vrijwel allemaal kijken ze verstoord, betrapt, geïrriteerd.

Natuurlijk spelen kinderen een grote rol op haar foto’s, krijsend en dreinend aan de hand van hun moeder of zandkastelen bouwend op het strand. Maar Maier maakte niet alleen portretten van haar gefortuneerde blanke oppaskinderen, ook zwarte peuters figureren in haar werk. Ze moet een dappere dame geweest zijn, want ze trok gerust als vrouw alleen door de achterbuurten van New York en Chicago. „Ze kon heel onbeschoft zijn en met haar camera op wildvreemden aflopen”, herinnert een van haar oppaskinderen in de film Finding Vivian Maier zich. „Het verbaast me dat ze nooit is beschoten.”

Mooie mensen interesseerden haar niet. Het waren vooral de onvolmaakten op wie ze haar Rolleiflex richtte: de net iets te dikke dames, de alcoholisten, de zwervers, de arbeiders of de oorlogsveteranen. Ze had een zwak voor de marginalen, de eenzamen – misschien wel omdat ze zichzelf met hen identificeerde. „Ze had een mateloze interesse in andere mensen en in de wereld om haar heen”, zegt curator Claudia Küssel. „Maiers foto’s hebben echt iconische kwaliteiten. Ze zijn zo goed geschoten, zo raak. Bijna allemaal roepen ze beelden op van bekende fotografen als Robert Frank, Weegee, Brassaï of Henri Cartier-Bresson. Ze kan zich met de groten meten.”

Zelf groeide Maier op in de Bronx, onder moeilijke omstandigheden en in armoede. Haar vader was een Oostenrijkse immigrant, haar moeder kwam uit een klein dorpje in de Franse Alpen. De twee scheidden toen Vivian nog heel klein was, waarna ze van haar zesde tot haar twaalfde met haar moeder in Frankrijk woonde. Eenmaal terug in New York werkte ze in een naaiatelier en als hulp bij diverse New Yorkse gezinnen, tot ze in 1956 als nanny aan de slag kon bij een welgestelde familie in Chicago, de Gensburgs. Daar kreeg ze een eigen badkamer, die ze als doka kon gebruiken. Haar zolderkamer was een gesloten bastion waar niemand ooit voet mocht zetten, en waar ze zich langzaam liet inbouwen door haar eigen foto’s.

Excentriek

Op de tentoonstelling in Foam hangen meerdere zelfportretten van Vivian Maier, meestal gereflecteerd in ruiten of etalages: een muizig, mager, lang meisje met een wipneus en kort donker haar onder een zonnehoed. Haar oppaskinderen herinneren haar als „ongewoon”, „excentriek” en zelfs „een beetje gestoord”. Ze reed op een solex, droeg grote jassen en wijde jurken die haar figuur verhulden. Vaak ook kleedde ze zich in mannenoverhemden, „als een Russische fabrieksarbeidster”, en bonkte ze met legerkistjes door het huis, „als een marcherende nazi, met zwaaiende armen”. Ze praatte met een nep-Frans accent en gaf vaak valse namen op. Ze vertelde dat haar ouders gestorven waren, ook toen die nog leefden. Ze zei dat ze een spion was. En feitelijk was ze dat ook: een scherpe observator die stiekem alles op film vastlegde.

Ze was een mysterieuze vrouw, zegt Küssel. „Alles aan haar is zo dubbel. Uit haar werk spreekt veel humor, maar ze had ook een duistere kant. Ze was empathisch, maar ze kon ook heel wreed zijn. Dan nam ze de kinderen bijvoorbeeld mee naar het slachthuis en liet ze ze toekijken hoe schapen gedood werden. Dat moet voor hen toch best traumatisch geweest zijn. Ze had een zeer solitaire persoonlijkheid, is nooit getrouwd, had geen vrienden of familie. Ze liet niemand dichtbij komen. Naar wat er in haar jeugd is gebeurd, kunnen we alleen maar gissen. Er zijn nog veel puzzelstukjes die in elkaar moeten vallen.”

Maar wereldvreemd was ze zeker niet. Ze bezat veel kunstboeken, las de kranten en praatte graag mee over politieke ontwikkelingen. Haar oeuvre is meer dan alleen een persoonlijk fotografisch dagboek. Door iedere dag de straat op te gaan, legde Maier ook de sociale ontwikkelingen vast in het Amerika tijdens de Koude Oorlog. Zo fotografeerde ze in de vroege jaren zeventig obsessief de krantenkoppen die leidden tot het aftreden van Nixon. Soms ook ging ze als een reporter op het nieuws af, bijvoorbeeld toen een tornado een buitenwijk van Chicago trof en ze zich per metro naar de rampplek spoedde om de ravage vast te leggen. Het dagelijkse verslagleggen was een obsessie. Drie decennia lang maakte ze zo’n vijfduizend foto’s per jaar. Maar een opdrachtgever had ze niet. Ze was een fotojournalist zonder krant. Een kunstenaar zonder publiek.

Geld om al die foto’s te laten afdrukken heeft ze dan allang niet meer. In de jaren zeventig, als de kinderen van de Gensburgs volwassen zijn, is Maier gedwongen werk te zoeken bij andere families. Omdat ze haar films niet meer zelf kan ontwikkelen, stapelen de rolletjes zich op. Aan het eind van de jaren negentig brengt ze ook haar camera’s naar de opslag en stopt ze met fotograferen. Ze eindigt als een eenzame oude dame die iedere dag op hetzelfde bankje in het park te vinden is – nog net niet dakloos dankzij de Gensburg-kinderen, die een kleine studio voor haar betalen. Buurtbewoners zien haar scharrelen door de stegen en graaien in de vuilnisbakken, op zoek naar oude rotzooi. Ze is een van die excentriekelingen geworden die ze zelf zo graag fotografeerde.

In de winter van 2008 glijdt Maier uit op een bevroren straat en wordt ze naar een verpleeghuis gebracht. Wat ze niet weet is dat, terwijl ze verpleegd wordt, John Maloof elders in de stad door haar fotokoffers grasduint en haar beelden op internet zet. Vier maanden later overlijdt ze, zonder ooit de lyrische reacties te hebben gehoord op die eerste publicatie van haar foto’s. En misschien is dat maar goed ook. Ze had het waarschijnlijk maar niks gevonden dat haar foto’s de buitenwereld in werden gezonden. Had ze dat geweten, dan was ze er dwars voor gaan liggen.