‘We bezuinigen ons kapot’

Hij is teruggekomen van zijn geloof in de vrije markt. Die „maalt niet” om bescherming van zwakken of het milieu, zegt de econoom bij de publicatie van zijn nieuwe boek.

Foto HH

Dat de eurozone opnieuw in een recessie zakt, verbaast Paul De Grauwe niet. De Belgische econoom, die sinds zijn gedwongen pensionering aan de universiteit van Leuven in 2013 lesgeeft aan de London School of Economics, legt in zijn nieuwe boek De Limieten van de Markt met pijnlijke, schoolmeesterlijke precisie uit waarom de achttien eurolanden er maar niet in slagen om opnieuw een evenwicht te vinden tussen markt en staat. En waarom dat landen buiten de eurozone veel makkelijker afgaat.

De bankencrisis van 2008 „was een teken dat de markt te machtig was geworden in onze samenlevingen, en de overheid te zwak”, zegt De Grauwe in een telefonisch interview vanuit Londen. „Vijfentwintig jaar van financiële deregulering en liberalisering leidden tot excessen, een groeiende ongelijkheid tussen rijk en arm en een verwaarlozing van de publieke sector.

„In 2008 barstte de bubbel. Dit was zo’n moment waarop de markt tegen zijn eigen grenzen aanloopt en de verhoudingen moeten worden gecorrigeerd. Dat gebeurt wel vaker in de geschiedenis. Neem 1928. Toen belandden we na een vergelijkbare krach in de Grote Depressie. In 2008 gebeurde dat niet, want we probeerden de lessen van tachtig jaar eerder in de praktijk te brengen. Anders dan in 1928 grepen Europese regeringen dus wel in. Ze hielden banken overeind om een grote financiële crash te voorkomen, en stimuleerden de economie door extra te investeren in publieke werken en werkgelegenheidsprogramma’s. Daardoor bleef alles draaien in Europa en werden burgers relatief niet zo hard geraakt. Dat was de goede reflex: de sturende hand van de overheid was wat we nodig hadden op dat moment.

„Het probleem is nu dat Europese regeringen dit niet doorzetten. Overheden hebben zich weer helemaal teruggetrokken. Daarom is het evenwicht markt-overheid nog altijd niet hersteld, maar eerder verder verstoord. Dat wreekt zich.”

Hebben overheden zich teruggetrokken omdat ze te veel schulden hadden?

„Ja. Door onder meer de steunacties aan banken en extra werkloosheidsuitkeringen in 2008 en 2009. Dat was om twee redenen problematisch. Een: schulden mogen landen in de eurozone maar in beperkte mate hebben, anders worden ze volgens het Stabiliteitspact gestraft. Aan die oude afspraak die ze zelf hadden gemaakt, zaten ze vast. Twee: de financiële markten zaten eurolanden op de huid. Als er ergens een grote economische schok is, worden beleggers zenuwachtig: krijgen ze het geld dat ze die landen hebben geleend, wel terug? In landen als de VS of Groot-Brittannië is het antwoord ja. Al zakt het land in de prut, dan nóg kan de regering de centrale bank dwingen geld te drukken, zodat schulden worden afbetaald. Daar is altijd cash. In eurolanden niet. Nationale centrale banken hebben de macht om geld bij te drukken overgedragen aan de Europese Centrale Bank in Frankfurt. Maar zelfs al vragen regeringen de ECB geld bij te drukken, dan nog zal Duitsland alles doen om dat te blokkeren.”

Dus een investeerder in een euroland weet nooit zeker of hij zijn geld terugkrijgt?

„Precies. Bij twijfel trekt hij zich terug uit het euroland. Kijk naar het Verenigd Koninkrijk en Spanje. De Britse schulden en begrotingstekort waren in 2012 hoger dan de Spaanse. Toch ontvluchtten beleggers Spanje, omdat ze er niet zeker van waren dat ze hun geld terug zouden krijgen. Ze investeerden het in Duitsland en Nederland, waar ze die twijfels niet hadden. Dit verergerde de crisis in Spanje en dwong de regering tot de meest drastische bezuinigingen in de geschiedenis van de welvaartsstaat. In het Verenigd Koninkrijk bleven beleggers gewoon. Ze wisten dat ze uiteindelijk hun geld krijgen.”

Concludeert u dat de eurozone, wat hij ook doet, de macht van de markt per definitie niet kan terugdringen?

„In de huidige constructie niet. De eurozone heeft één gevecht met de markten ternauwernood overleefd, met ongenadig hard bezuinigen en liberaliseren. Maar dit heeft de economie tot stilstand gebracht en veel politieke schade aangericht. Ik vermoed dat de eurozone zo’n gevecht geen tweede keer overleeft. Dat lukt alleen als de ECB mag optreden als lender of last resort, zoals de nationale centrale banken in eurolanden vroeger deden. De ECB móét die functie overnemen, anders vallen eurolanden ten prooi aan de markten. Daarom wist ECB-president Mario Draghi zomer 2012 de markten met één zin tot bedaren te brengen: hij zei dat hij staatsobligaties wilde opkopen, ofwel zou zorgen dat eurolanden altijd cash zouden hebben om schulden aan beleggers af te betalen. Op dat moment stopte de uittocht van beleggers uit Spanje en Italië.”

Het effect was tijdelijk. De turbulentie begint weer.

„Ja. Draghi heeft zijn belofte nog niet in concrete daden hoeven omzetten. Maar velen vragen zich af of hij deze belofte uit 2012 nog kan waarmaken, omdat Duitsland zo fel tegen is. Er loopt een Duitse rechtszaak om OMT, zoals Draghi’s programma heet, ongrondwettelijk te verklaren. Het Duitse Constitutionele Hof heeft de zaak doorgestuurd naar het Europees Hof. Als dat de klacht honoreert, is de eurozone verloren.”

Omdat beleggers dan eieren voor hun geld kiezen?

„Ja.”

Dus een machtiger ECB kan burgers beschermen tegen permanente bezuinigingen?

„Daar komt het op neer, ja. Eurolanden hebben nu geen andere manier om beleggers gerust te stellen dan met permanente bezuinigingen en hervormingen. Begrijp me niet verkeerd, ik ben niet tegen bezuinigen en hervormen. Sommige landen hebben dat absoluut nodig. Maar als we dat constant in de hoogste versnelling doen, en met achttien landen tegelijk, maken we onze economie en onze verzorgingsstaat kapot. Iedereen staat tegelijk op de rem. Logisch dat de economie tot stilstand komt. Dit is een enorme flater.”

Verzetten Frankrijk en Spanje zich daarom tegen de Europese begrotingsregels?

„Niet alleen daar, maar in heel Europa dringt het besef door dat we moeten investeren. In onszelf, in onze economie. We bezuinigen ons kapot. De Duitsers zeggen steeds: „We mogen onze kinderen niet met onze schuld opzadelen.” Maar we benadelen onze kinderen ook als we steeds minder geld in scholen, gezondheidszorg en openbaar vervoer steken.”

Privégeld of overheidsgeld?

„Allebei. Het moet een mix zijn. Ik was vroeger erg pro-markt. Ik ben daarvan teruggekomen. Als we alles aan de particuliere sector overlaten, beschermen we de zwakken in de samenleving niet en beschadigen we het milieu. De markt maalt daar niet om en is alleen uit op rendement. Dat heeft goede kanten, maar je moet limieten stellen. Burgers roepen nu om die limieten. Dat is óók een les om uit de crisis te trekken: dat burgers niet alleen calculerend vanuit hun eigen belang redeneren, maar ook vanuit hun rechtvaardigheidsgevoel. Het is geen toeval dat het boek van Piketty [Le Capital au XXI-ième siecle, red.] zo’n bestseller werd.”

U verwijst veel naar hem in uw boek.

„Ik volg hem al jaren. Hij doet nuttig werk. Overigens werd zijn boek pas een succes toen het in het Engels werd vertaald.”

Waarom?

„De Britse economie herstelt zich van de crisis, net als de Amerikaanse. In deze twee landen groeit de ongelijkheid sneller dan in eurolanden. Piketty toont aan dat dit herstel vooral de allerrijksten ten goede komt. De slinger is zo ver doorgeslagen dat rentenieren weer sterk loont, zoals eind negentiende eeuw. Modale Britten en Amerikanen merken weinig van het herstel, en vragen waar het blijft. Als ik hier in Londen ’s avonds naar mijn flat loop, slapen er mensen op straat.”

In Brussel niet?

„Minder.”

In eurolanden zijn burgers steeds kritischer over bezuinigingen. Waar leidt dit toe?

„Politieke chaos en extremisme dreigen. Maar het kan ook een teken zijn dat de democratie de almacht van de markt kan corrigeren. Regeringen proberen nu de markt te plezieren én het Stabiliteitspact te volgen. Dit is een doodlopende weg. Als burgers regeringen de goede kant op sturen, is dat goed nieuws.”

Is het Stabiliteitspact ‘dom’, zoals oud-Commissie-voorzitter Prodi zei?

„Het Pact is deel van de governancestructuur in de eurozone die niet klopt. Ambtenaren in de Europese Commissie bepalen deels waar regeringen hun geld aan uitgeven. In een democratie is dat problematisch: de Commissie draagt geen politieke verantwoordelijkheid voor die besluiten. Brussel kan zeggen: ‘Verlaag de lonen’. Maar als burgers in opstand komen, krijgen nationale politici het voor de kiezen.”

Nationale politici hebben de Commissie toch zelf opdracht gegeven het Pact te bewaken? Nederland wilde een ‘supercommissaris’.

„Zeker. Soms maken regeringen verkeerde afspraken. Dat moeten ze erkennen, en de fout herstellen. Het Pact moet nu juist flexibel worden toegepast en Europa moet geld in de economie pompen. De Commissie wil 300 miljard euro aan investeringen. Dat stemt hoopvol. Nou ja, een beetje.”