Van Gogh en Monet verinnerlijkten de Japanse kunst

Vincent van Gogh, Japonaiserie (d’après Kesaï Yeisen), 1887 Foto Van Gogh Museum

De impressionist Claude Monet vertelde graag dat hij de eerste Franse schilder was met belangstelling voor Japanse kunst. Als zestienjarige kocht hij in 1856 Japanse prenten. Daarmee was hij er inderdaad vroeg bij. Pas vanaf 1854 was in Japan, na twee eeuwen isolement, buitenlandse handel weer toegestaan. In de jaren daarna kwamen steeds meer Japanse kunst en gebruiksvoorwerpen op de Europese markt: noviteiten die door hun verbazingwekkende vakmanschap en kwaliteit de aandacht trokken van verzamelaars en kunstenaars. Japanse invloeden in het Frankrijk van 1860-1910 is het onderwerp van een tentoonstelling in Museum Folkwang in Essen, die zo’n tweehonderd Japanse voorwerpen en evenveel Europese kunstwerken tegen elkaar afzet.

Dat het ‘japonisme’ in de late negentiende eeuw welig tierde is geen geheim. Schilderijen uit die tijd tonen vaak motieven zoals oosterse vazen en kamerschermen. Andere zijn geïnspireerd op de verrassende perspectieven van Japanse prenten uit de achttiende en negentiende eeuw, hun heldere kleurgebruik, afgebakende vormen en de abrupte manier waarop die soms door de beeldrand worden afgesneden. De chrysanten van verguld email op een haarkam van René Lalique zijn typisch Japanse. Ook onderwerpen zoals badende meisjes, worden door schilders als Degas overgenomen. Cézanne zal bij zijn gezichten op de Mont Sainte Victoire hebben gedacht aan de vele landschappen met de berg Fuji. Of Courbets schuimend golven aan de Franse kust werkelijk geïnspireerd zijn door Hiroshiges beroemde houtsnede van de veel angstaanjagender Golf van Kanagawa (1830-1831), valt echter nog te bezien.

Hoe dan ook bezaten kunstenaars verzamelingen van soms honderden Japanse houtsneden. Hoe ze ermee omgingen blijkt uit een opmerking van Vincent van Gogh die zegt een paar van die prentjes ter decoratie aan de muur van zijn Parijse atelier te hebben geprikt. Maar vrijblijvend was zijn omgang met de objecten niet. Zo werkte hij het motief van een courtisane uit een prent van Keisai Eisen uit 1840 om tot een schilderij uit 1887.

Als hij een jaar later naar Arles is verhuisd, schrijft hij geen Japanse voorbeelden meer nodig te hebben, omdat hij de onconventionele composities daarvan nu zelf kan aanschouwen. Zijn Zaaier bij zonsondergang toont een knoestige wilg die het beeldvlak diagonaal in tweeën deelt, net zoals dat gebeurt in bijvoorbeeld Hiroshiges houtsneden. Het is een voorbeeld van wat de expositie de ‘verinnerlijking van Japan’ noemt: kunstenaars absorberen exotische invloeden en geven er in hun werk een eigen draai aan.

De expositie, die ritselt van de grote namen en schitterende kunstwerken uit Oost en West, vergt veel van het geheugen omdat de Japanse prenten bij elkaar hangen, en niet samen met de westerse kunst die ernaar verwijst.