Staatssecretaris botst met zijn vader

Staatssecretaris Van Rijn reorganiseert de zorg. Zijn vader klaagt openlijk over het verpleeghuis van zijn moeder.

Twee personeelsleden zijn ’s nachts verantwoordelijk voor honderd ouderen, op vier afdelingen, in een verpleeghuis in Den Haag. Er komen binnenkort camera’s te hangen die worden bekeken door iemand in Schiedam die de verzorgers in Den Haag belt wanneer één van de honderd bewoners uit bed valt.

De harde realiteit in sommige verpleeghuizen werd gisteravond in het programma Pauw beschreven door een vriend van de vader van staatssecretaris Martin van Rijn (Zorg, PvdA). Van Rijn junior zat tegenover de oude man en moest zijn beleid verdedigen: de bezuinigingen op de ouderenzorg. ’s Ochtends hadden Ben Oude Nijhuis (81) en zijn vriend Joop van Rijn (81) in het Algemeen Dagblad verteld hoe slecht de verzorging van hun demente echtgenotes is in het verpleeghuis. Niemand wist toen dat dit ging over de moeder van de staatssecretaris. Het ging over het lot van honderden, misschien duizenden, hoogbejaarden.

Soms komen Oude Nijhuis en Van Rijn senior aan en dan is er in vier huiskamers met elk zes dementerende ouderen geen personeelslid te bekennen. „Dan loopt de urine langs haar enkels”, zei Van Rijn senior tegen de krant. Hij gaat er zelf soms uren bij zitten. Het ligt niet aan het personeel, onderstreepte Oude Nijhuis gisteren telkens. Er is gewoon te weinig personeel.

Martin van Rijn, die nu twee jaar staatssecretaris is, bleef tijdens de uitzending maar ook bij elke andere gelegenheid zeggen: oude mensen wonen tegenwoordig liever thuis dan in een instelling. Sinds de jaren tachtig is het aantal bewoners van verzorgingshuizen gehalveerd terwijl het aantal 80-plussers is verdubbeld. Hij wil er twee dingen mee zeggen: de mensen díé nog in verpleeghuizen wonen, zijn heel oud (85-plus) en heel hulpbehoevend en om die mensen te verzorgen is het huidige personeel niet goed genoeg opgeleid. De instellingen moeten dus in opleidingen investeren, zegt hij. Ook zouden de afdelingen kleinschaliger kunnen. „Dat is geen kwestie van extra geld, maar van beter organiseren.” Overigens is het lage niveau van het personeel al jaren bij bestuurders bekend omdat het in vele inspectierapporten heeft gestaan.

Gevraagd naar het lijden van zijn eigen ouders, zegt Van Rijn dat dat hem juist heeft gemotiveerd om ‘de politiek’ in te gaan. Om de positie van ouderen te verbeteren.

Van Rijn wil met het ‘niemand wil nog in een verpleeghuis’-verhaal ook zeggen dat de moderne oudere thuis moet kunnen blíjven wonen en er dus goede thuiszorg moet kunnen krijgen.

Toch bezuinigt zijn kabinet volgend jaar 400 miljoen euro op de wijkverpleging – de mensen die alle thuisblijvende ouderen en gehandicapten moeten verplegen en verzorgen. Ook de verpleeghuizen, die alleen nog de alleroudste ouderen mogen aannemen, verliezen inkomsten. De SP en PVV hebben er telkens tegen gestemd; voor de PvdA geldt het inmiddels als ‘hoofdpijndossier’.

Er is nog een kip-of-ei-kwestie: tussen 2014 en 2017 sluiten 400 van de 2.000 verzorgingshuizen. Van Rijn zegt dat dat komt omdat men er niet meer heen wil en de vraag dus afneemt. Maar het komt óók door de bezuinigingen op de AWBZ van het kabinet: ouderen met ‘lichte zorgvraag’ – slecht ter been, licht dementerend – hebben voortaan simpelweg het recht niet meer op een plek in een instelling. Daarom ontslaan die instellingen personeel en sluiten ze locaties.