Een typisch bijkletsgesprek

Zaterdagmiddag zat ik op het terras om op Twitter te lezen dat het de warmste 1 november ooit was, althans sinds er metingen in De Bilt worden bijgehouden. Het terras was afgeladen, er werden extra stoelen van binnen gehaald en tafeltjes werden gedeeld. Iedereen schoof bij elkaar aan, krap als op een vluchtelingenboot. Gelukzoekers in Amsterdam-Zuid.

De krant die van de leestafel kwam was smoezelig geraakt van vele vingers. Links van mij rookte een uitbrakkende student een sigaret, rechts zat een vader die zijn baby in een zak op de borst droeg. Hij speelde met de munt in zijn theeglas. Voor mij streken twee vrienden neer, ze hingen allebei een koffiebruin leren jasje over hun stoel. Ze bestelden appeltaart en belandden algauw in een typisch bijkletsgesprek waarin de spreektijd eerlijk verdeeld werd, alsof er een schaakklok tussen hen in stond. De jongen vertelde dat hij 500 euro voor een week mediteren had betaald; een aanbieding, zeker omdat het eten was inbegrepen. „De eerste vijf minuten dacht ik echt, dit is niks voor mij, ik werd zó onrustig van mijn eigen gedachten. Maar toen zei de docent dat iedereen vast dacht dat-ie gek werd, en dat hielp.” Het is kalmerend wanneer iemand anders je voorspelt. „Ik ben niet zo van het zweverige, maar ik ben wel een piekeraar. Ik heb er echt wat aan gehad. Ik ben rustiger.”

Nu was het haar minuut: „Bij mij op het werk vallen ze met bosjes uit.” Ze vertelde over een collega die alleen naar de supermarkt kon wanneer ze op elke straathoek even ging zitten. „Uitgeput. Ik snap het wel. Ik ben een perfectionist.”

Ik ben, ik ben, ik ben. Het is gemakkelijk om te concluderen dat de veel geleden burn-outs en depressies in de obsessieve focus op de ‘ik’ zitten, maar het probleem zit ’m meer in het alsmaar daarop volgende ‘ben’.

We praten over onszelf alsof we uitgedefinieerd zijn, alsof we allemaal uit minidiagnoses bestaan die elke gedraging verklaren. Het ‘ik ben’ verraadt een statisch identiteitsbesef dat ervoor zorgt dat de organische, veranderende realiteit altijd als een uitdaging voelt.

De vader van de baby hield mij een glossy voor – de zon en het kind hadden hun smeltende werk gedaan: „Mag ik je horoscoop lezen?” vroeg hij. De stier zat in een creatieve maand met behoefte aan vernieuwing. Wat hij zei klopte.

Hij sloeg het blad dicht. „Oh shit, deze Marie Claire komt uit mei 2013.” Blijkbaar voelde ik me net als toen. Misschien was alles dan toch statisch. Of misschien boezemt verandering ons zo’n angst in dat we daarom zoveel mogelijk in algemene, altijd toepasbare termen spreken zodat alles hetzelfde lijkt. Hoe vager de voorspelling, hoe helderder alles is.