Portemonnee kwijt? In Berlijn krijg je ’m terug

D e Nederlandse ambassade belt: „Klopt het dat jij je portemonnee kwijt bent?” Ja, dat klopt, twee weken geleden. Bij de uitgang van de treinwagon merkte ik dat ik mijn portemonnee niet meer had. De trein reed het centraal station van Berlijn al binnen. Ik liep terug naar mijn stoel: geen portemonnee. Was ik het slachtoffer van de toegenomen criminaliteit in treinen? Volgens de politie is het aantal diefstallen in de trein met bijna een kwart gestegen. In mijn hoofd startten automatisch twee films: een van alle plekken waar ik de afgelopen paar uur geweest was. En de andere van alles wat er in die portemonnee zat. Wat nu weg was en wat dat betekende.

Oké, ik had een kaartje gekocht in Travemünde om naar Lübeck te reizen. Was het toen misgegaan? Of had die ongelikte beer die vier stoelen bezet hield in het boemeltreintje me gerold? Iedereen die ik was tegengekomen, was tenslotte verdacht. Nee, ik had mijn portemonnee later nog, toen ik op het stationnetje van Büchen overstapte. Daar had ik wat te eten gekocht. Had ik mijn portemonnee op de toonbank laten liggen? Had iemand hem gepakt van het groepje jongens en meisjes dat daar vanwege de oktoberfeesten in Lederhosen en Dirndls rondhing? Volgens de politie opereren de dieven in groepen en worden dagelijks nieuwe trucs bekend.

N ee, ik was op het laatste stuk nog gecontroleerd door de conducteur en toen had ik mijn portemonnee nog. Conclusie: ik was hem toch op mijn zitplaats kwijtgeraakt. Op dat moment was ik al hoog in de Escheriaanse architectuur van het Berlijnse Hauptbahnhof. In de diepte zag ik de trein met mijn portemonnee erin langzaam vertrekken richting Leipzig.

„Is het diefstal of vermissing?” vroeg de wachtmeester bij het wijkbureau waar ik aangifte deed. Ik antwoordde naar waarheid dat ik het niet zeker wist. Maar toen de wachtmeester zei dat ik hier verkeerd was als ik mijn portemonnee alleen maar kwijt was, zei ik: gestolen. Want uiteindelijk kwam het daar toch op neer? Iemand zou dat ding vinden, het geld eruit halen en de rest weggooien. Niet alleen betaalkaarten en het domme verzekeringpasje, de sleutelpas of de museumjaarkaart, maar ook perskaart en rijbewijs.

Terwijl een agente mijn aangifte opnam, probeerde ik te berekenen hoeveel verloren uren mij nog te wachten stonden. Het rijbewijs zou de allermeeste tijd gaan kosten. Want een rijbewijs moet aangevraagd worden in je woonplaats. In mijn geval: Berlijn. Om te bewijzen dat ik ooit een rijbewijs had, moest ik een formulier opsturen naar de Rijksdienst Wegverkeer in Nederland. Daarmee kon ik hier een nieuwe Farschein aanvragen. Ik dacht aan het spookverhaal dat een oud-collega met genoegen had verteld: dat je dan een EHBO-diploma moet halen, want Duitse automobilisten zijn wettelijk verplicht hulp te verlenen bij ongelukken.

M aar nu kan ik mijn portemonnee afhalen bij het Nederlands consulaat. De Duitse beveiligingsman die voor de ambassade loopt te ijsberen opent voor mij de deur, want het consulaat is zo laat in de middag eigenlijk gesloten. Ik begroet mijn portemonnee als een oude vriend. Hij heeft een elastiekje om zijn buik. Maar verder is er niks aan de hand. Alles zit er nog in. Mijn rijbewijs, alle pasjes. Zelfs het geld. Als ik weer buitenkom, prijs ik Duitsland: zoveel eerlijkheid! En een bureaucratie die weliswaar traag is maar die wel functioneert. Geweldig. De politieman haalt zijn schouders op en bromt in het Berlijns: „U hebt gewoon erg veel geluk gehad.”