Nederland benoemt alweer een oorlogsheld

De hoogste militaire onderscheiding gaat binnenkort naar commando Gijs Tuinman. Hij ontvangt de Willems-Orde kort na Marco Kroon. Doen we meer aan heldenverering of zit er een addertje onder het gras, vraagt Jaap Cohen zich af.

Medaille van de Militaire Willems-Orde Ridder 4e Klasse. Foto De Kanselarij der Nederlandse Orden

Een held tegen wil en dank. Zo wordt de 34-jarige commando Gijs Tuinman vaak getypeerd. Op 4 december zal hij uit handen van koning Willem-Alexander de Willems-Orde ontvangen, Nederlands hoogste militaire onderscheiding.

Tuinman ontvangt de erkenning vanwege zijn moedige gedrag tijdens de oorlog in Afghanistan. Op 6 september 2009 gaf hij leiding aan een special force in de buurt van het dorp Deh Rawod. Toen deze elite-eenheid plotseling door de Talibaan hevig onder vuur werd genomen, verschanste Tuinman zich met zijn mannen in een ommuurde woning. Binnen bleek dat een van de korporaals ontbrak. Tuinman besloot daarop om met vijf andere mannen terug te gaan in het open veld. Het lukte hen om de korporaal terug te halen, maar diens verwondingen waren zó ernstig dat hij ter plekke overleed.

Het is alweer de tweede keer in vrij korte tijd dat de Orde wordt uitgereikt: in 2009 viel Marco Kroon nog dezelfde eer ten deel, eveneens voor heldhaftig optreden in Afghanistan. Daarvóór was er meer dan een halve eeuw geen nieuwe officiële oorlogsheld benoemd. Waren er simpelweg geen helden voorradig? En hoe gaat Nederland eigenlijk om met zijn oorlogshelden?

Van Nederland Verzetsland…

Vlak na de Tweede Wereldoorlog verschenen er tal van geschiedenis- en gedenkboeken die benadrukten hoezeer het Nederlandse volk collectief en heroïsch had gestreden tegen de onderdrukker. In een boek over de april-meistakingen van 1943 schreef socioloog P.J. Bouman bijvoorbeeld dat bij deze grote verzetsdaad ‘ons volk tot bezinning kon komen om zich rekenschap te geven van eigen kracht en geesteshouding’. Iedereen had zich verzet, en de weinige collaborateurs behoorden eigenlijk niet tot de Nederlandse volksgemeenschap – dat was het beeld.

Bovenop dit verhaal van collectieve heldhaftigheid van het Nederlandse volk verschenen er tal van hagiografieën over individuele verzetshelden. Een voorbeeld hiervan is de levensbeschrijving van verzetsman Gerrit Jan van der Veen, die onder andere met zijn verzetsgroep persoonsbewijzen had vervalst en het Amsterdamse Bevolkingsregister had overvallen. Uiteindelijk was hij gepakt en door de Duitsers gefusilleerd. Maar hij leefde wel voort in de biografie die al een jaar na de bevrijding over hem verscheen – en hoe. Volgens zijn biograaf Albert Helman had Van der Veen een leven geleid zonder fouten. In zijn jeugd had hij een zwakke gezondheid overwonnen, en in de oorlog was hij uitgegroeid tot een knappe, ‘mannelijke’ man zonder twijfels. Iemand die slechts bezig was met het verrichten van heldendaden.

Oorlogshelden als Van der Veen werden in de jaren vijftig vaak opgehemeld volgens het ‘verzuilde’ principe. Elke zuil had zijn eigen helden: de communisten hadden ‘het meisje met het rode haar’ Hannie Schaft, de katholieken hadden priester Titus Brandsma, enzovoort. Ze werden ingezet om te tonen hoe ‘goed’ die zuil tijdens de oorlog had gehandeld. De beschrevenen leken net heiligen. Ze konden stuk voor stuk intuïtief en spontaan handelen, maar waren tegelijkertijd bedachtzaam en ‘in control’. Ook durfden ze allen risico’s te nemen; als je niets te verliezen had, schopte je het nooit tot held. En ten slotte – dat was misschien wel de belangrijkste eigenschap – bezaten de Nederlandse verzetshelden het vermogen zich volledig onafhankelijk op te stellen en tegen de stroom in te gaan. Ze waren non-conformistisch. Dat deze laatste eigenschap er de oorzaak van was dat veel nog levende verzetshelden moeite hadden om te gedijen in de naoorlogse maatschappij, daarover las je in dit soort hagiografieën niet. En hun minder sterke karaktereigenschappen bleven eveneens onbesproken, die konden alleen maar afbreuk doen aan het doel waarvoor ze werden ingezet.

… tot Nederland Deportatieland

Het beeld van Nederland Verzetsland, van een moedig volk met enkele mythische helden als Gerrit Jan van der Veen of de ‘Soldaat van Oranje’ Erik Hazelhoff Roelfzema, was geen lang leven beschoren. In 1958 verscheen W.F. Hermans’ roman De donkere kamer van Damokles, die je als voorloper kunt zien van ontwikkelingen die in de periode erna zouden volgen. In zijn roman wilde Hermans aan de hand van twee figuren – hoofdpersoon Osewoudt en zijn (fictieve) dubbelganger Dorbeck – laten zien hoeveel de schlemiel en de held op elkaar lijken, en hoezeer heldendom een constructie achteraf was. ‘Een held is iemand die straffeloos onvoorzichtig is geweest’, schrijft Hermans. Dat is nog eens iets anders dan het heroïsche heldendom van de Soldaat van Oranje.

In 1965 kwam een boek uit dat definitief de kijk op Nederlands oorlogsverleden veranderde. Historicus Jacques Presser beschreef in Ondergang minutieus en indringend hoe de ‘vervolging en verdelging van het Nederlands Jodendom’ was verlopen, en hoe niet-Joodse Nederlanders deze vreselijke misdaad hadden laten gebeuren. Het boek maakte een enorme indruk, niet in het minst op de eerste naoorlogse generatie die de oorlog niet had meegemaakt. Jonge opiniemakers beschuldigden de generatie van hun ouders ervan weinig tot niets te hebben gedaan tegen de Duitse bezetter – niet voor niets was in Nederland het hoogste percentage Joden omgekomen van heel West-Europa (75 procent). Het beeld over Nederland in oorlogstijd kantelde: van collectieve tegenwerking naar collectieve aanpassing en lijdelijkheid. Nederland was geen Verzetsland geweest, maar een Deportatieland. En helden, die hadden we al helemaal niet gehad.

Nieuwe kentering

De door Hermans en Presser ingezette kentering van het beeld heeft lang standgehouden en er zijn waarschijnlijk nog steeds veel mensen die zich hierin kunnen vinden. Heroïsering past ook eigenlijk helemaal niet goed bij Nederlanders, die bekendstaan om de ‘doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’-mentaliteit.

Toch lijkt er de laatste tijd een nieuwe kentering te zijn ontstaan. De musical Soldaat van Oranje speelt al vier jaar voor een uitverkochte zaal. En in 2009 ontving voor het eerst in 57 jaar weer een militair de Willems-Orde. Of het nu aan de tegenwoordige onzekere economische en politieke tijden ligt of aan iets heel anders, feit is dat heldendom blijkbaar weer kan. En waarom ook niet? Het beeld dat Nederland zich in de oorlog massaal verzet zou hebben is een even grote mythe als dat Nederland collectief had weggekeken. Hoewel het grootste gedeelte van de Nederlanders allerminst heldhaftig gedrag vertoonde, waren er wel degelijk moedige mensen die hun leven op het spel zetten om iets te betekenen voor iemand anders. Het waren er misschien niet veel, maar dat is geen reden om hun daden te vergeten.

Smetje op het blazoen

Oorlogshelden inspireren, en dat geldt evenzeer voor de verhalen van ‘nieuwe helden’ zoals Gijs Tuinman. Maar hier zit wel een addertje onder het gras. Naar verluidt krijgt Tuinman de hoge onderscheiding ook omdat Defensie die andere Willems-Orde-bezitter, Marco Kroon, niet meer graag als boegbeeld heeft; hij is na zijn actieve dienst in opspraak geraakt wegens onaangepast gedrag. Anders gezegd: hij was non-conformistisch. Dat is wat we in het verleden vaker bij ‘helden’ hebben gezien: ze floreren in crisissituaties en hebben daarna moeite zich aan te passen aan de ‘normale’ maatschappij. En net als in de jaren vijftig worden smetjes op het blazoen van oorlogshelden nog steeds graag weggepoetst.