Ik was jong en sterk toen ik hier kwam, dat is weg

Nederland mag geen uitgeprocedeerde asielzoekers meer op straat zetten als ze kinderen hebben. Dus is er opvang. Maar die is zo karig mogelijk.

Beeld Thinkstock/bewerking NRC

Drie jaar oud was de Angolese Nicinha da Silva toen ze in Nederland kwam. Dat was in een asielzoekerscentrum in Rijsbergen, Noord-Brabant. In januari wordt Nicinha zeventien en nu woont ze, met haar moeder en twee oudere broers plus twee andere gezinnen, in Amersfoort, in een zogenoemde gezinslocatie. Ze is in die dertien jaar twaalf keer verhuisd.

We zitten in een kamer van drie bij vier. Tegen de ene muur staat een bed met twee matrassen. Eén matras ligt plat op de bodem, de ander staat rechtop tegen de muur – zo is het een bank. In gezinslocaties is het bewoners verboden zelf een bank neer te zetten; de opvang moet sober blijven, vermeldt de website van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). De bewoners zijn immers uitgeprocedeerd en ze verblijven alleen nog in een asielopvang omdat de Hoge Raad heeft bepaald dat minderjarige kinderen niet op straat mogen worden gezet. Zodra het jongste kind achttien is, wordt het gezin uit de opvang gezet.

Vijf keer per week een stempel halen

Dat was het perspectief voor de Da Silva’s toen ze in 2012 van het asielzoekerscentrum (azc) in Almelo naar het voormalige retraitehuis Sint Alphonsus verhuisden. Achter het oude hoofdgebouw staan provisorische wooneenheden van twee lagen op grasveldjes.

Als Nicinha zegt: „Hier is het nog erger”, dan is dat omdat de bewegingsvrijheid in een gezinslocatie nog beperkter is dan in een azc. „We mogen Amersfoort niet uit. Mijn moeder moet vijf dagen per week een stempel halen bij de begeleiding. Als ze twee keer niet komt, krijgt ze 6 euro boete. En we krijgen minder geld dan eerst: 140 euro per week voor z’n vieren. Plus 13 euro als we helpen schoonmaken.”

Tegen de andere muur staat de tafel waar Nicinha en haar moeder Lidia vertellen hoe het is om in deze variant van de asielopvang te leven. Haar drie jaar oudere broer Gildo zit op de bedbank. Haar moeder schenkt thee in. „Wilt u suiker”, vraagt Nicinha. Ze heeft een licht Zeeuws accent – het gezin heeft het langst in Zeeland gewoond: Zoutelande, Cadzand, Middelburg, Sluis. „Geen suiker?” Iedereen in de kamer barst in ongelovig gegiechel uit. Geen suiker.

Nicinha zit in 4 mavo. Voor kinderen is school de beste afleiding. Als je voor je achttiende een opleiding bent begonnen, mag je die afmaken. Anders zit je na je achttiende thuis. Zoals Nicinha’s broer Gildo. Nicinha vat het leven samen dat die 18+’ers in de gezinslocatie leiden: slapen, wakker worden, douchen, eten, tv-kijken, eten, slapen.” Internet is beperkt tot de vier vaste computers in het lokaal naast de beveiliging, waar je je kunt inschrijven. Wifi is er niet. Maar het komt wel, zegt Gildo opgewekt, „dat hebben de COA’s beloofd”.

Het gezin beweegt, zoals alle asielzoekers, mee met de ambtelijke kronkels van het asielbeleid. Mogen ze maar twintig kilo aan spullen bezitten, dan vragen ze dus aan vrienden buiten het centrum of zij wat voor ze willen bewaren. Mogen ze in de gezinslocatie geen vriezer neerzetten, dan laten ze die achter in Almelo.

Maar vooral gaat het erom de kansen op verblijf zo groot mogelijk te houden. Ook daarvoor moeten ze die bochtige wegen volgen. Hebben de kinderen meer kans op een verblijf in Europa doordat hun vader voor hen in Portugal een vergunning heeft aangevraagd? Dan zetten ze daar al hun kaarten op. „Het ligt eraan hoe je procedure in elkaar zit”, zegt moeder Lidia steeds op verschillende vragen.

Het wachten kan 18 jaar duren

Eén ding staat voorop in de gezinslocatie: de bewoners zijn uitgeprocedeerd en hebben dus geen uitzicht op een legaal verblijf in Nederland. De gezinslocatie is de wachtkamer op weg naar Schiphol. ‘De begeleiding is gericht op terugkeer’, schrijft het COA op zijn website. Het wachten kan wel erg lang duren. Zoals Jos Wienen onlangs zei, de burgemeester van Katwijk, waar een gezinslocatie uit haar voegen barst. „Er worden hier kinderen geboren! Dat betekent dat in het ergste geval gezinnen achttien jaar onder deze omstandigheden moeten leven.”

Kijk naar de Somalische buurvrouw van Nicinha, die om half zeven met haar dochtertje uit hun kamer in dezelfde gang komt en in de open keuken achter ons begint te koken. De drie gezinnen in deze eenheid delen de keuken en de woon/eetkamer waar wij zitten te praten, de wc en de douche. Haar doodstille dochtertje is een jaar of vijf – dat betekent in het uiterste geval voor hen: dertien jaar wachten.

Niet als het aan de ambtenaren van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTV) van het ministerie van Veiligheid en Justitie ligt. Tijdens de regelmatige afspraken die de dienst met de bewoners maakt, hameren ze er altijd op dat ze illegaal zijn, dat ze zijn uitgeprocedeerd, dat ze geen perspectief hebben in Nederland, dat ze uiteindelijk zullen worden uitgezet.

Willen ze een handtekening? Ik zet ’m

Stress, zo blijkt uit het rapport dat de werkgroep Kind in azc vandaag presenteert, is een dagelijkse metgezel voor de gezinnen. Een van de conclusies na interviews met bijna vijftig kinderen: ‘Angst voor uitzetting en onzekerheid over hun toekomst speelt bij alle kinderen een rol.’ Nicinha zegt: „Je hebt altijd in je hoofd: hoe gaat het verder?” Elke week worden wel gezinnen opgehaald om te worden uitgezet. „Altijd om zeven uur ’s ochtends”, zegt moeder Lidia. „Ze komen in een zwart busje. Ze kloppen op je deur en dan moet je inpakken en wegwezen. Laatst mevrouw Tourou uit Nigeria met haar dochter. Vorige week die mevrouw aan de overkant met haar twee baby’s. Morgen komen ze misschien voor mij.”

Ook hier geldt volgens Lidia: meebewegen. „Ik heb altijd meegewerkt met de DTV. Altijd meegewerkt. Willen ze een handtekening? Dan zet ik een handtekening. Willen ze een foto van ons allemaal? Dan ga ik met de kinderen op de foto.”

Lidia wilde best Nederland verlaten, alleen wilde ze niet terug naar Angola. De ambtenaren van de DTV vonden dat prima. Ze mocht kiezen uit een stuk of tien landen waar ze heen kon. De meeste voorgestelde landen lagen in Afrika, maar ze mocht ook naar Brazilië.

„We hebben het zo gerekt”, zegt Ninciha met een grote glimlach. Want intussen hadden ze op het journaal de discussie over het kinderpardon gevolgd. Daar kwamen zij toch voor in aanmerking? Zij konden aantonen dat de kinderen vijf jaar onder rijkstoezicht hadden gestaan – waren al die glimmende stickers in haar paspoort toch nog ergens goed voor. Nu waren het de kronkels van de politiek waar ze op moesten letten: de VVD was tegen, de PvdA was voor, zegt Gildo. Uiteindelijk kreeg Lidia een telefoontje. „Gefeliciteerd”, zei een mevrouw. „Ik ben toch niet jarig”, had Lidia gezegd.

Gildo werkt nu bij PostNL

Dat was in augustus vorig jaar. Sindsdien hebben ze een verblijfsvergunning. Gildo werkt nu bij PostNL. Lidia zal een inburgeringscursus moeten volgen. Maar dan begint het leven in Nederland. Lidia aait haar buurmeisje over het haar. „Ik was 32 toen ik in Nederland kwam. Ik was jong en sterk en ik had energie. De meeste kracht is nu wel weg.”

Maar: als de Da Silva’s een verblijfsvergunning hebben, dan zijn ze toch vrij om te gaan en staan waar ze willen? Waarom wonen ze nog in de gezinslocatie, op die paar vierkante meters, samen met mensen die niet met mes en vork, maar met hun handen eten, zoals Nicinha een van de cultuurverschillen met medebewoners uitdrukt. Lidia: „Het COA zoekt een woning voor ons. Dat duurt nog even.”