Column

De boodschap en de verpakking

Wat doet Gijsbert van den Brink (51), per 1 januari 2015 hoogleraar theologie op de leerstoel theologie en wetenschap aan de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam, wanneer een student gewetensnood voelt over de wetenschap, omdat de Schrift immers God als schepper aanwijst? Dan begint hij bijvoorbeeld over Mattheüs 13. Daar staat dat het mosterdzaad „het kleinste van alle zaden” is, maar dat er een boom uit groeit, zo groot dat „vogels van de hemel komen en nestelen in zijn takken”.

„Biologisch gezien is dat onwaar. Er zijn veel kleinere zaden dan mosterdzaad”, zegt Van den Brink. „Maar waarom zou je, omdat Jezus dat vanuit het toenmalige wereldbeeld zo gezegd heeft, gedwongen zijn om het mosterdzaad voor het kleinste zaad te houden? Dat gaat totaal voorbij aan de bedoeling van deze gelijkenis, dat het koninkrijk Gods klein begint en zich dan tot iets groots ontwikkelt. Op soortgelijke wijze moeten we ook in Genesis 1 etcetera onderscheid maken tussen de boodschap en het antieke wereldbeeld waarin deze verpakt is.”

Van den Brink heeft zijn achtergrond in de Gereformeerde Bond, een rechtzinnige richting waar Schrift en geloofsbeleving bepaald niet licht worden opgevat. Hij is namens die Bond trouwens ook thans al bijzonder hoogleraar in Amsterdam, aan de Protestantse Theologische Universiteit. Nu hij hoogleraar wordt aan de VU, traditioneel gezien de hoogburcht van het reformatorisch denken in Nederland, stelt hij zichzelf twee hoofdtaken, vertelt hij op een van de flexplekken waar VU-theologen tegenwoordig hun werk doen.

Hij wil bij studenten die op grond van hun geloofsovertuiging sceptisch staan tegenover de wetenschap, die wetenschap over het voetlicht brengen, zegt hij. Sinds Charles Darwin in 1859 zijn On the origin of species publiceerde, bestaat er in rechtzinnig-reformatorische kring bijvoorbeeld veel verzet tegen de evolutiegedachte. „Maar met wat we inmiddels weten uit de genetica, valt niet meer vol te houden dat evolutie een theorietje is als vele andere”, meent Van den Brink.

Minstens zo belangrijk is voor hem de andere helft van wat hij ‘mijn missie’ noemt: zorgen dat religie niet, als iets irrelevants of wetenschappelijk onbestaanbaars, verdwijnt uit het universitaire leven. „Het zou een enorme verarming zijn wanneer we in een levensbeschouwelijke monocultuur terechtkomen, en ultimate questions als ‘is er goed en kwaad’ of ‘bestaat God’ niet meer gesteld worden.”

Dat gevaar is geenszins denkbeeldig: ook de VU ontsnapt niet aan de roep om meer economisch ‘nuttige vakken’, waarvan vaak de humaniora de dupe worden, met de theologie voorop. Maar Van den Brink is aan de VU benoemd op een prestigieuze University Research Chair – als eerste theoloog in deze tot nu toe voornamelijk aan beta’s voorbehouden etalage van academische voorhoede. Hij is vol goede moed: „Zes van de zeven miljard mensen op aarde zijn religieus. Religie is geen niche, en zal mogelijk meer relevant blijven dan velen waar willen hebben.”