Achteloosheid bij Defensie

Het heeft er alle schijn van dat het ministerie van Defensie zich in het verleden een onzorgvuldige werkgever heeft getoond. Een baas die achteloos omsprong met de gezondheid van zijn personeel, voorzover dat belast was met schilderwerkzaamheden. In het bijzonder: het aanbrengen van camouflageverf op legervoertuigen.

Die nonchalance komt tot uitdrukking nu het departement, na enig aandringen, ruim 500 documenten heeft vrijgegeven over het gebruik van kankerverwekkende stoffen bij deze werkzaamheden. Zoals chroom-6. Een conclusie na raadpleging van deze stukken is dat het ministerie in de periode 1989-2002 en wellicht ook daarna dit gezondheidsrisico voor zijn medewerkers bewust accepteerde. Ondanks waarschuwingen van de Arbeidsinspectie. Nu stelt de huidige minister van Defensie, Hennis-Plasschaert (VVD): „De kankerverwekkende eigenschap van chroom VI vormt een zeer ernstig gezondheidsrisico, dat is algemeen bekend.” Zij schreef dat aan de Tweede Kamer, die haar gisteravond aan de tand wilde voelen – dat debat is naar volgende week verschoven.

De minister zal de Tweede Kamer bijvoorbeeld moeten uitleggen waarom zij nog in juni van dit jaar liet weten vooralsnog geen aanwijzingen te hebben dat (voormalige) medewerkers van Defensie „structureel zijn blootgesteld aan te hoge concentraties gevaarlijke stoffen”. Terwijl de documenten die haar ministerie nu heeft vrijgegeven, nadrukkelijk op het tegendeel wijzen.

Hennis-Plasschaert lijkt te zijn opgescheept met een lelijke erfenis die haar voorgangers, inclusief staatssecretarissen, hebben achtergelaten. Wellicht waren de dubieuze werkomstandigheden in de diverse legerdepots bij de politieke leiding van het ministerie niet voldoende bekend; ze blijft er niettemin verantwoordelijk voor.

De minister heeft voor de getroffen (oud-)medewerkers, van wie velen zich tot letselschadeadvocaten hebben gewend, een hoopgevende uitspraak gedaan. Ze zal „haar verantwoordelijkheid nemen” als schadeclaims gerechtvaardigd blijken. Maar daaraan gaat langdurig onderzoek vooraf. Dan oogt het nogal onhandig dat ze zulk onderzoek, uit te voeren door het RIVM, laat begeleiden door de commodore die indertijd als commandant verantwoordelijk was voor de gang van zaken bij een van de verfspuiterijen. Vanzelfsprekend roept zo’n benoeming argwaan op.

Hennis-Plasschaert heeft laten weten dat alleen al het formuleren van de onderzoeksvragen maanden duurt. Pas eind maart 2015 verwacht ze daar duidelijkheid over. Hoelang het onderzoek daarna duurt – ze heeft geen idee. Wellicht gaat de minister érg zorgvuldig te werk. Maar van gevoel voor urgentie getuigt deze procedure niet.