Verlichting

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Zijne heiligheid roept, maar het warme bed ook. Al weken hangt Princeton vol posters. De dalai lama komt op bezoek.

„Ja, maar”, zegt mijn dochter, terwijl ze de slaap uit haar ogen wrijft, „kan ik niet thuisblijven?”

„Nee”, zeg ik, „geen sprake van.”

„Maar wie is hij dan precies?”

„Dat leg ik onderweg wel uit”, zeg ik.

Met drie berechagrijnige kinderen, ruziënd als kleuters over wie er in het midden mag zitten, rijden we naar de basketbalhal. Een beker koffie valt om. Ik ben hard toe aan wat verlichting.

Mijn verwachtingen zijn hooggespannen. Mijn buurvrouw vertelde dat haar dochter ook veertien was toen ze haar ooit meenam naar een optreden van de dalai lama en dat de gebeurtenis diepe indruk op het meisje maakte. Ze werd vegetariër en besloot zich in te zetten voor de wereldvrede.

Op weg naar het stadion leg ik het een en ander uit over China, Tibet, en hoe ingewikkeld die twee zich tot elkaar verhouden, tot ik niet meer te verstaan ben door honderden mensen achter een hek die scanderen: „Neppe dalai lama! Neppe dalai lama!”

„Is dit niet de echte dan?”, vraagt mijn dochter. Het sinterklaassyndroom ligt nog vers in de herinnering. Het blijkt een protest van een rivaliserende, buitengesloten sekte, een vast onderdeel bij ieder bezoek. Even later lopen we tussen monniken in saffraangele pijen en passeren zingende en trommelende Tibetanen in klederdracht. Ze dragen kleurige vlaggen met leeuwen in de ene en de Amerikaanse sterren en strepen in de andere hand. Verder nogal wat politie, die als voornaamste doel heeft te zorgen dat de partijen elkaar niet in de haren vliegen.

Een jonge moeder in hippiekleren met een gelukzalige blik draagt al dansend een peuter op haar arm met een Tibetaans mutsje.

Dan mogen we het grote stadion in, waar mijn kinderen regelmatig sporten. We moeten door een detector, hoogst ongebruikelijk in dit stadje waar deuren altijd openstaan. En dan komt hij binnen, de negenenzeventigjarige dalai lama. Met een blote arm uit zijn pij wuift hij als een popster naar het publiek, dat in enorme aantallen is toegestroomd.

Midden op het podium gaat hij staan, buigt, en gebaart dan dat we moeten gaan zitten. Een mevrouw van de interreligieuze studentenclub heet zijne heiligheid welkom.

Als een professional checkt hij, wanneer hij eenmaal zit, de afstand tot de microfoon. Dan reikt hij in de plooien van zijn monnikspij en haalt er een oranje petje uit. Princeton University staat erop. Hij zet het op en barst in een bulderende lach uit. Mijn kinderen kijken elkaar aan. „Ik dacht dat hij heilig was?”, zegt mijn dochter.

„Sssht”, zegt mijn zoon, „wacht maar tot hij gaat praten.” Hij heeft Seven Years in Tibet gezien en verwacht veel van deze bijeenkomst. De lezing begint.

Het thema is wereldvrede door compassie en de rol van de wetenschap daarin. Althans, dat denk ik. Omdat hij binnensmonds praat en zijn Engels vrij slecht is, versta ik maar één op de tien woorden. De wereldeconomie en klimaatverandering komen regelmatig langs.

„Wat is de sleutel tot geluk?”, vraag iemand uit de zaal. „Geld”, roept de dalai lama uit. „En anders seks.” Weer die schaterlach. „Hoe herinnert de dalai lama zijn schooltijd?”, vraagt een student naast mij. „Ik deed er niet veel mee”, zegt hij. „Ik was vooral aan het spelen.”

„Ik geloof niet dat hij voetbal bedoelt”, fluistert mijn zoon. Mijn kinderen schaterlachen nu ook. Terug in de auto is het ochtendhumeur opgeklaard.