Tanden brokkelden af en nagels lieten los na werk met chroom-6

Defensie toont zich keer op keer verbaasd als blijkt dat medewerkers gevaar lopen. Maar de kennis was er al lang en de leiding accepteerde het risico.

Decennialang werkten defensiemedewerkers met zeer kankerverwekkende verven. De bescherming was ontoereikend. Bij een meldpunt meldden zich tot nu toe 900 verontruste oud-medewerkers. Foto Thinkstock

In de herfst van 1998 schrok Defensie wakker. Vanwege de verbouwing van een hangar op de vliegbasis Twenthe waren luchtmetingen nodig. Opeens bleek dat er tien keer meer zwaar kankerverwekkende chromaathoudende stof aanwezig was dan toegestaan, afkomstig van het werken met verf waarmee legermaterieel wordt geschilderd.

Het werk in Twente werd onmiddellijk stopgezet. Medewerkers, die al tien jaar klaagden over de luchtkwaliteit, bleken niet goed beschermd. Een dag later werd het onderhoudswerk op alle luchtmachtbases stilgelegd.

Achter de schermen, zo blijkt uit door het ministerie vorige week vrijgegeven interne documenten, gingen leidinggevenden bij Defensie druk aan de slag. Ze probeerden een overzicht te verzamelen van de concentratie van kankerverwekkende stoffen op andere werkplaatsen. Ze onderzochten welke voorzorgsmaatregelen werden genomen. En de correspondentie bevat signalen dat leidinggevenden uiteindelijk genoegen namen met de onveilige situatie, toen bleek dat mogelijk op veel plekken die maatregelen niet afdoende werden genomen.

Dat Defensie in 1998 schijnbaar zo werd verrast, is opmerkelijk. Nog verrassender is het dat het ministerie zich deze zomer wéér overvallen toonde na publicaties over aan kankerverkwekkende verven blootgestelde werknemers. In reactie daarop schreef minister Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) aan de Tweede Kamer: „Vooralsnog heb ik geen aanwijzingen dat (voormalige) medewerkers zijn blootgesteld aan te hoge concentraties gevaarlijke stoffen.”

Uit de meer dan 500 documenten die het ministerie op verzoek van deze krant en andere media vrijgaf rijst een tegenovergesteld beeld op: het risico van deze verven, het feit dat medewerkers daar tegen beschermd moesten worden – met adembescherming, goede afzuiginstallaties en volledige gelaatsmaskers – én dat dit jarenlang onvoldoende gebeurde was binnen Defensie decennia bekend. De vrijgegeven documenten geven overigens maar een versnipperd beeld: uit wat openbaar is gemaakt, blijkt dat relevante stukken nog ontbreken.

Het chroom-6 in de verf – speciaal ontwikkeld om legervoertuigen te beschermen tegen corrosie en ze zo ondoordringbaar mogelijk te maken voor aanvallen met chemische wapens – is uiterst kankerverwekkend. Het kan blijvend veranderingen veroorzaken in het DNA, met effecten op de voortplanting. Ziektes openbaren zich pas 15 tot 25 jaar na blootstelling. Volgens deskundigen is chroom-6 nog gevaarlijker dan asbest. Er is maar één veilige concentratie, namelijk ‘0’. Op hoeveel plekken bij Defensie met de verf werd gewerkt is niet duidelijk, noch hoeveel mensen ermee in aanraking kwamen.

Vanavond debatteert de Tweede Kamer naar verwachting met de minister over de wijze waarop Defensie haar zorgplicht voor de eigen medewerkers heeft opgevat.

Bij een meldpunt meldden zich tot nu toe 900 verontruste oud-medewerkers. Bij letselschadespecialist Yme Drost in Hengelo en letselschadeadvocaat Rob Bedaux in Heerlen hebben zich de afgelopen maanden driehonderd oud-personeelsleden of hun nabestaanden gemeld. Het gaat om medewerkers van vijf voormalige NAVO-depots, maar ook van luchtmacht en marine. Allemaal vermoeden ze dat ze ziek zijn geworden van hun werk. Ze hebben auto-immuunziekten, allerlei soorten kanker, last van uitvallende nagels en afbrokkelende tanden. Oud-medewerkers vertellen over het stralen en verven van legervoertuigen met een simpel mondkapje op, zonder afzuiginstallatie. In een overall waar de verf doorheen droop.

1989: gevaar is gemeld

Negen jaar voordat het werk in Twente werd stilgelegd (in 1989 dus) waren de gevaarlijke verven al onderdeel van een briefwisseling tussen een depot in Vriezenveen en de Bedrijfsgezondheidsdienst. Na klachten van personeel was de dienst afgereisd naar Overijssel, om daar te constateren dat „adequate afzuiging” ontbrak, net als een veilige plek om de verf te mengen en een goed plek om verfafval op te bergen. Uit de correspondentie bleek ook dat er toen duidelijke regels bestonden om de verwerking van de verf wél veilig te laten plaatsvinden – de dienst wees het management op het „grote aantal publicaties” op dat terrein.

De vermaning leek te zijn aangekomen. Een half jaar later vroeg de manager van de werkplaats schriftelijk bezorgd aan de geneeskundige dienst van het ministerie waarom de resultaten van een luchtmeting nog niet binnen waren. Hij had haast vanwege „de delicate aard van het onderwerp, waarbij veel medewerkers zijn betrokken”. De geneeskundige dienst reageerde met de mededeling dat het wat langer zou duren, en wees de manager erop dat de vertraging geen reden was om niet de vereiste beschermingsmaatregelen te nemen. In een interne brief van de dienst nog geen maand daarna werd uitgebreid geïnventariseerd welke veiligheidsmaatregelen nog niet waren genomen. Er was onvoldoende ventilatie, het aanmaken en aanbrengen van de verf vond niet plaats in gescheiden, afgesloten ruimtes, en medewerkers waren niet goed voorgelicht over de risico’s van hun werk. Andere NAVO-depots kregen een afschrift van de brief.

Een brief aan het eind van dat jaar van het ministerie aan de managers van de werkplaatsen geeft een idee waarom het vergroten van de veiligheid zo lang duurde. De ventilatie van de onderhoudsruimte aanpassen zou te duur zijn, zo valt tussen de regels door te lezen. De conclusie: „Het op zeer beperkte schaal handmatig verwerken van [verf], in een werkplaats die daar weliswaar technisch niet volledig op is ingericht, geeft in praktische zin geen onoverkomelijke problemen.”

In 1991 volgden brieven, memo’s en rapporten met veiligheidsvoorschriften elkaar op. Aan het eind van het jaar werd gemeld dat alle werkplaatsen nu aan de voorwaarden voldeden. Maar dat lijkt vooral op papier waar te zijn geweest.

1995: weinig verbeterd

Vier jaar later in 1995, bij een bezoek van de Arbeidsinspectie aan Vriezenveen leek er weinig verbeterd te zijn: De werkplaats wist, in strijd met de regels, niet hoeveel kankerverwekkende stof er op de basis werd verwerkt, welke werknemers daarmee in aanraking kwamen, wat voor werk ze deden, of ze aan de stof werden blootgesteld en hoe ze ertegen werden beschermd. Nog geen twee maanden later schreef de arbospecialist dit memo aan chef van de werkplaats: „De laatste tijd komt het herhaaldelijk voor dat tijdens een rondgang over de site ik het onder u ressorterende personeel aantref tijdens schilderwerkzaamheden in de shop zonder dat adembescherming gedragen wordt. Dit is tegen de vigerende voorschriften en ik heb u daar al diverse keren op geattendeerd.” Dat de bescherming niet werd gedragen was niet gek: uit een inspectie eerder dat jaar was al gebleken dat persoonsbeschermende kleding vaak nog niet was uitgedeeld.

Het rapport van de Arbeidsinspectie zorgde voor opschudding, zo blijkt uit een brief van het managementteam van de werkplaatsen. Maar de algemene conclusie over de vele gebreken die de inspectie constateerde is verrassend: de aanwijzingen van de inspectie zouden niet snel en volledig worden doorgevoerd. Zeven jaar na de eerste vaststelling dat in Vriezenveen onveilig werd gewerkt, schreef de ‘general manager’ van de NAVO-depots. „Het is binnen onze organisatie mede door een beperking aan financiële middelen onvermijdelijk dat er een gezond spanningsveld blijft bestaan tussen de feitelijke praktijk en de formele regelgeving.” En: „Door het volgen van de systematiek van de geleidelijkheid wordt getracht op termijn te voldoen aan alle aspecten van de formele regelgeving.”

2001: veilig niet haalbaar

Uit een intern stuk over blijkt dat Defensie in 2001 rekening hield met „blootstelling van bepaalde groepen medewerkers aan chroom- en chroomverbindingen gedurende de komende tientallen jaren, als gevolg van reeds op materiaal aanwezige chroomlagen.” In een intern stuk in 2002 over het terugdringen van een kankerverwekkende stof, schreef een Defensieambtenaar dat „de maatschappelijk gewenste grenswaarde nog altijd een factor 100 lager ligt dan die welke thans als haalbaar wordt gesteld.”

Defensie zou de gewenste concentratie, namelijk ‘nul’ niet halen, en dat wist men: „Het is vooralsnog onmogelijk daaraan te voldoen” meldde een een staffunctionaris van het NAVO-depot in Eygelshoven in 2002. „Dat is als een bakkerij zonder meel”. En: „Als een bakkerij zonder meel gewenst is, (…) betekent dit waarschijnlijk robotisering.” Maatregelen die wel konden worden genomen, werden vertraagd, klaagde de staffunctionaris, hoewel er inmiddels geld van de NAVO voor beschikbaar was. „De urgentie [...] wordt blijkbaar niet door iedereen gedragen.”

Ook bij andere Defensieonderdelen waren problemen. Zo werd in 2002 in een straalhal bij de marine in Den Helder een onacceptabele hoeveelheid „inhaleerbare stof” gevonden. In 2002 klaagde de medezeggenschapscommissie van het Hoger Onderhoudsbedrijf van de Koninklijke Landmacht. „Het kan toch niet zo zijn dat een jaar na toezeggingen aan het personeel weer uitstel moet worden gevraagd omdat het budget kennelijk niet voorhanden is. Het personeel wordt (…) zo veel te lang aan het lijntje gehouden. We hebben hier te maken met een onderkend gezondheidsrisico.”

Bij Defensie wordt tot op de dag van vandaag met de kankerverwekkende verf gewerkt. „Het is een noodzakelijk middel om corrosie tegen te gaan en zo te voldoen aan luchtwaardigheidseisen”, schreef minister Hennis in september in een brief aan de Kamer. Ze meldde ook dat Defensie in het verleden al vijf schikkingen had getroffen met oud-medewerkers die onder meer met chromaathoudende verf in aanraking waren gekomen. En ze schreef dat Defensie zich al zeker sinds de jaren 90 bewust was van de risico’s van werken met gevaarlijke stoffen.

Op de feiten uit de stukken wil het ministerie van Defensie niet reageren, omdat de minister een onafhankelijk historisch onderzoek heeft aangevraagd. Over de veiligheid nu wil Defensie ook geen specifieke vragen beantwoorden, in afwachting van het Kamerdebat vanavond.